We ontmoeten gedeputeerde Luk Lemmens in het provinciehuis van Antwerpen. Hoog boven de stad, met uitzicht op de skyline, spreken we over zijn visie op Antwerpen, de rol van de provincie en de koers van de N-VA.
U zit al vijftig jaar in de politiek. U bent recent gestart met een reeks lezingen. Wat is daar de aanleiding voor?
Die lezingen zijn ontstaan op vraag van Jong N-VA Antwerpen. Zij vonden dat het 25-jarig bestaan van de partij niet zomaar gevierd mocht worden, maar ook inhoudelijk en historisch moest worden belicht. Omdat ik een van de oudgedienden ben binnen de Vlaams-nationalistische politiek in Antwerpen, vroegen ze mij om de reeks op gang te trekken. Intussen volgen er nog lezingen, onder andere van Fons Duchateau en Frieda Brepoels, die hun visie geven op de beginjaren van N-VA.
Voor mij was het een uitgelezen kans om mijn vijftig jaar politieke engagement in kaart te brengen. Maar vooral wilde ik jongeren duidelijk maken dat onze huidige positie niet vanzelfsprekend is. Daar ging een lange geschiedenis aan vooraf. In de tijd waarin ik opgroeide, voelde je als Vlaming nog echt dat je in dit land als tweederangsburger werd behandeld.
Als Vlaming?
Als Vlaming, ja. Vijftig jaar geleden was de situatie in Antwerpen totaal anders. Franstalige kranten lagen gewoon in de rekken, loonfiches werden tweetalig uitgedeeld, en sommige pastoors hielden hun preken nog in het Frans. Dat hoorde bij de tijdsgeest. Net daardoor ben ik toen in de radicale Vlaamse beweging terechtgekomen, onder andere bij het Taalactiecomité. We hebben toen heel wat taalkwesties aangeklaagd en op scherp gezet.
Was het uw eerste drijfveer om in de politiek te stappen: het Nederlands op de eerste plaats zetten?
Absoluut. De Nederlandse taal moest voorrang krijgen. Maar dat ging hand in hand met een breder economisch verhaal, zeker hier in Antwerpen. We zaten toen nog midden in de wafelijzerpolitiek: elke investering in Vlaanderen moest gecompenseerd worden met een gelijkaardige investering in Wallonië. Dat heeft België jarenlang verlamd. De gevolgen zien we vandaag nog.
Pas dankzij verregaande staatshervormingen hebben we stap voor stap meer autonomie verworven. Daardoor kunnen we nu veel meer zelf beslissen. En gaandeweg groeide ook het besef dat de taalstrijd niet alleen cultureel was, maar ook sociaal. Zelfbestuur, het recht om je eigen beleid te voeren, is altijd mijn belangrijkste drijfveer geweest.
Hoe heeft u de overgang van de Volksunie naar N-VA ervaren?
Ik was sinds 1975 lid van de Volksunie en heb er tal van mandaten vervuld. In Wilrijk, waar ik woonde, zat ik in het partijbestuur. Daarnaast was ik actief in de partijraad, districtsraad, provincieraad én gemeenteraad van Antwerpen. Maar na het Egmontpact en de opkomst van het Vlaams Blok begon de partij te wankelen. We trokken met vage programma’s naar de kiezer; het links-rechtsdebat zorgde voor verdeeldheid en de duidelijkheid verdween. Dat leidde tot afkalving.
In 1992 richtte Guy Verhofstadt de VLD op en haalde enkele prominente figuren weg bij de Volksunie, onder wie Jaak Gabriëls en Hugo Coveliers. De partij zat niet meer op één lijn. Toen voorzitter Fons Borginon de leden een keuze voorlegde over de toekomst, voelde je dat de groep rond Geert Bourgeois het zou halen. Ik heb toen meteen beslist: ik stap over naar N-VA.
In 2000 trok ik nog de lijst voor de Volksunie in Antwerpen. We haalden 3,1% van de stemmen, en ik was het enige verkozen gemeenteraadslid, zelfs Hugo Schiltz raakte niet meer verkozen. Daarna zijn we met een jonge, onbekende Bart De Wever aan de slag gegaan om de partij lokaal uit te bouwen. Samen met hem, Koen Kennis en Bart Kamp hebben we van een teloorgaande partij de grootste politieke kracht in Antwerpen gemaakt.
Had u toen al het geloof dat N-VA zou uitgroeien tot de partij die ze vandaag is?
Op dat moment leefden we in puur idealisme. We vergaderden boven cafés, zonder veel middelen, maar met des te meer overtuiging. Als gemeenteraadslid had ik het voordeel van een fractiesecretariaat, waar we met het bestuur konden samenkomen. En er was geloof, het gevoel dat we op het juiste spoor zaten.
Geert Bourgeois, toen voorzitter, is een rechtlijnige man. Zijn koers gaf richting. Bovendien stapten verschillende oud-parlementsleden van de Volksunie mee over naar N-VA. We hebben er nooit aan getwijfeld dat het goed zat. Niet dat we konden voorspellen waar we vandaag zouden staan; dat besef hadden we toen nog niet. Soms lijkt het alsof we in een droom zijn beland. Maar je moet blijven geloven in de ideologie waaruit deze partij is gegroeid: het Vlaams-nationalisme. Dat moet je blijven beleven, elke dag opnieuw.
Wordt het Vlaams-nationalisme vandaag te veel verloochend?
We zijn natuurlijk uitgegroeid tot een brede volkspartij, met een divers ledenbestand. Daar zitten onvermijdelijk mensen tussen die het Vlaams-nationalisme niet op dezelfde manier beleven als ik, met een zekere romantiek en historische diepgang. Je mag niet verwachten dat iedereen dat gevoel op dezelfde manier draagt. Maar zolang men het grote doel voor ogen houdt, dat we een gemeenschapspartij zijn die streeft naar zoveel mogelijk zelfbestuur voor het Vlaamse volk, dan zit het goed. Zeker als dat gepaard gaat met degelijk bestuur. Die combinatie is essentieel.
U bent dus niet alleen Vlaams-nationalist, maar ook gemeenschapsdenker?
Voor mij gaan die twee hand in hand. We staan voor het welzijn van ons volk. We willen een sterke economie, waarin Kmo’s kansen krijgen en bedrijven de ruimte hebben om te groeien. We streven naar kwaliteitsvol onderwijs, goed opgeleide mensen en een doordachte ruimtelijke ordening. Al die elementen zijn onlosmakelijk verbonden met onze Vlaamse identiteit. Ze bepalen wie we zijn als gemeenschap, als Vlamingen.
Kan de provincie daarin ook een rol spelen?
Binnen de partij zijn we geen vurige voorstanders van het provinciale niveau. Op een congres is zelfs beslist dat de provincies op termijn afgeschaft zouden moeten worden. Maar ik zit hier sinds 2012, en onze houding is altijd duidelijk geweest: als we ergens verantwoordelijkheid opnemen, dan willen we dat niveau ook degelijk besturen.
Dat doen we hier sinds 2012, en ik ga intussen mijn derde legislatuur in. We hebben intussen bewezen dat we als provincie een sterke ondersteunende rol kunnen spelen richting de lokale besturen. Dat is wat ik, samen met mijn twee N-VA-collega’s in het provinciebestuur, elke dag probeer waar te maken. En dat lukt ook. Vraag het aan de burgemeesters in onze provincie, zij zullen bevestigen dat dit bestuur effectief werkt en een duidelijke meerwaarde biedt.
Welke mijlpalen heeft u in de provincie bereikt?
De belangrijkste is dat we het provinciebestuur slanker en efficiënter hebben gemaakt. We hebben komaf gemaakt met partijfinanciering en ons gefocust op de essentie: grondgebonden materies. Daar ligt onze kracht.
Ik ben bijzonder trots op de kilometers fietsostrades die we hebben aangelegd, vaak langs spoorwegen. Die zijn 4,5 meter breed en voldoen aan de Nederlandse normen. We hebben echt een verschil gemaakt in veilige fietsmobiliteit, dat is een realisatie waar ik met recht fier op ben. Daarnaast heb ik sinds de vorige legislatuur het provinciaal onderwijs opnieuw op de kaart gezet. Ook daar maken we impact, met toekomstgerichte opleidingen die aansluiten op de noden van onze regio.
Hoeveel provinciale scholen zijn er nog in Antwerpen?
In onze provincie zijn er momenteel vijf provinciale scholen actief. In Stabroek bieden we technische en beroepsopleidingen aan, met een sterke focus op STEM-onderwijs. Die opleidingen bereiden jongeren niet alleen voor op het beroepsleven, maar moedigen hen ook aan om verder te studeren aan een hogeschool of universiteit. STEM is cruciaal, het vormt de ruggengraat van onze toekomst.
Daarnaast zijn er provinciale scholen in Boom en Mechelen. En in Antwerpen hebben we onze eigen trots: de hotelschool PIVA. Ik ben ook voorzitter van Provinciaal Onderwijs Vlaanderen, een aparte koepel waaronder wij als inrichtende macht opereren.
Samen met het bedrijfsleven zetten we volop in op toekomstgerichte opleidingen. De haven van Antwerpen telt duizenden openstaande vacatures. Die vraag komt rechtstreeks uit de bedrijfswereld. Onze taak is duidelijk: zoveel mogelijk jongeren begeleiden richting die arbeidsmarkt.
Wordt dat ook gewaardeerd binnen het bedrijfsleven?
Zeer zeker. Het bedrijfsleven apprecieert onze inspanningen enorm. Vorig jaar bezocht ik Brainport Eindhoven, een regio waar technologie en industrie hand in hand gaan. Daar hebben ze maar liefst vijf technische universiteiten. In Vlaanderen we hebben er geen enkele, en dat is een gemis. In ons provinciaal bestuursakkoord pleiten we dan ook expliciet voor de oprichting van een technische universiteit in Antwerpen. Aan de Universiteit Antwerpen begint dat idee stilaan vorm te krijgen. In Nederland zie je hoe multinationals als ASML en Philips nauw samenwerken met onderwijsinstellingen. Dat kunnen en moeten wij ook doen met onze bedrijven in de haven.
Die omslag is noodzakelijk. We hebben dringend technisch opgeleide mensen nodig. Antwerpen huisvest de tweede grootste petrochemische cluster ter wereld. Die moeten we niet alleen behouden, maar ook versterken. En dat lukt alleen als we voldoende talent kunnen aanleveren.
Heeft u nooit overwogen om in het parlement te zetelen?
Ik heb mijn politieke engagement altijd gecombineerd met mijn werk in de verzekeringssector. Die combinatie werkte goed voor mij, en ik vond het ook een veilige manier om politiek te bedrijven. Vandaag zie je veel jonge mensen die zich voluit in de politiek storten, een mandaat opnemen, en na enkele jaren niet herverkozen raken. Dat zijn grote risico’s.
Toen ik begon, lagen de kaarten anders. Voor jongeren was er weinig ruimte. In het arrondissement Antwerpen zaten destijds zoveel grote namen, mensen die jarenlang vast op hun plek zaten. De doorgroeimogelijkheden waren beperkt. Daarom heb ik bewust gekozen voor een politiek parcours dat ik kon combineren met een stabiele loopbaan.
De renovatie van het KMSKA geldt als een van uw grootste verwezenlijkingen?
Absoluut. In 2019 werd ik aangesteld als voorzitter van het museum, maar mijn betrokkenheid gaat terug tot 2013, toen ik lid werd van het eigen vermogen — een vzw die instaat voor het beheer van schenkingen, restauraties en andere essentiële taken.
In 2022 werd de renovatie afgerond, na jaren intensieve samenwerking met een uitzonderlijk team: een sterke directeur, een gedreven managementploeg, en talloze medewerkers die het project mee hebben gedragen. Dat resultaat is iets om trots op te zijn. Het KMSKA is vandaag opnieuw een culturele parel, en ik beschouw het als een van de mooiste realisaties uit mijn carrière.
Die interesse in cultuur, is die er altijd geweest?
Altijd. In elk mandaat waarvoor ik ooit verkozen ben, heb ik cultuur nauwgezet gevolgd. Dat zit blijkbaar in mijn genen. Mijn grootvader was een echte cultuurliefhebber, hij volgde alles wat met kunst en erfgoed te maken had. Die passie heb ik van hem meegekregen, en ze is altijd een rode draad gebleven in mijn politieke werk.
U zetelt ook in de raad van bestuur van voetbalclub Beerschot.
Een heel andere wereld dan de politiek. Dat klopt, het is een andere passie. In mijn jonge jaren heb ik zelf gevoetbald. Ik woonde in Wilrijk, op amper een kilometer van het Olympisch Stadion. We gingen vaak naar de wedstrijden kijken, en die liefde voor het spel is altijd gebleven.
Voor mij is het een boeiende combinatie: kunst en voetbal, de hogere en de lagere cultuur, zoals men dat soms noemt. Het is misschien uitzonderlijk om beide passies te koesteren, maar ik vind het net verrijkend. Ze vullen elkaar aan en houden me scherp.
In Antwerpen zijn grote infrastructuurwerken aan de gang: Oosterweel, de Boerentoren, Nieuw-Zuid… Zal dat het uitzicht van de stad veranderen?
Zonder twijfel. De bouw van de Oosterweelverbinding zal een enorme impact hebben op de stad. Maar eigenlijk is Antwerpen sinds 2012 al sterk veranderd. Ook als provincie hebben we onze rol gespeeld, onder meer als beroepsinstantie in verschillende bouwdossiers. Daarbij hebben we volgens mij een aantal sterke beslissingen genomen. Als je kijkt naar hoe de stad zich de afgelopen jaren positief heeft ontwikkeld, dan mogen Bart en zijn ploeg daar zeker trots op zijn. Antwerpen evolueert, groeit en vernieuwt en dat is zichtbaar in het straatbeeld.
Antwerpen is altijd al een wereldstad geweest, maar gedraagt zich de laatste jaren ook écht als een wereldstad. Dat is een enorme prestatie.
Dat klopt. Maar we moeten waakzaam blijven. Vroeger nam de politiek een beslissing en werd die zonder veel tegenwind uitgevoerd. Vandaag ligt dat anders. Door de havenuitbreidingen in de jaren ’50 hebben we nu de tweede grootste petrochemische cluster ter wereld. En binnenkort komt daar een miljardeninvestering bij, van Ineos. Die vergunningsaanvraag komt bij ons terecht, wij keuren ze goed. Maar dan volgt een stroom aan beroepen van milieuactivisten.
Vanuit economisch én gezond verstand bekeken, is zo’n investering cruciaal. Voor de werkgelegenheid, voor de groei van de haven. En laten we eerlijk zijn: petrochemische bedrijven investeren al jaren in duurzaamheid. Ze zoeken voortdurend naar nieuwe technologieën om hun uitstoot te beperken. Ze proberen het goed te doen.
En dan zijn er mensen die wijzen op de impact van het het broeikaseffect Natuurlijk moeten we iets doen aan het klimaat. Maar willen ze dan een openluchtmuseum zoals Bokrijk aan de Schelde? Wij proberen net wél actie te ondernemen. Als provincie verbinden we open ruimtes, planten we bossen aan, en geven we subsidies aan scholen om speelplaatsen te ontharden en groene oases te creëren. We nemen onze verantwoordelijkheid, elke dag opnieuw.
Welke toekomst wenst u Antwerpen toe?
Ik hoop dat we de weg die we nu inslaan kunnen blijven volgen: bouwen aan een leefbare stad. Dat is geen eenvoudige opdracht, zeker niet met 170 verschillende nationaliteiten binnen onze stadsgrenzen. Dat zorgt soms voor spanningen, maar ik geloof dat we met het juiste beleid een sterk sociaal weefsel kunnen behouden en versterken.
Het is cruciaal dat we het economisch draagvlak van Antwerpen niet alleen behouden, maar ook versterken. De haven is en blijft de steunpilaar van onze Vlaamse economie. Daarom vloeien er ook zoveel middelen naar deze stad. Sommigen horen dat niet graag, maar het is nu eenmaal de realiteit.
Mijn hoop is dat we met N-VA onze stempel blijven drukken op het beleid. Dat we verder bouwen aan een toekomst waarin iedereen zijn plek vindt, en waarin economie en ecologie in balans zijn. Dat evenwicht is de sleutel tot een duurzame en welvarende stad.

Luk Lemmens is eerste gedeputeerde van de provincie Antwerpen en een bekend gezicht binnen N-VA. Hij begon zijn politieke carrière in 1975 bij de Volksunie en stapte in 2001 over naar N-VA. Vandaag is hij aan zijn derde termijn bezig als gedeputeerde in de provincie Antwerpen. Als gedeputeerde is hij bevoegd voor o.a. ruimtelijke ordening, economie, onderwijs en innovatie. Hij speelde een sleutelrol bij de heropening van het KMSKA, waar hij als voorzitter nauw bij betrokken was. Geboren in Wilrijk, woont hij nu in het Zuid, vlak bij zijn geliefde museum. Naast politiek is hij erevoorzitter en trouwe supporter van voetbalclub Beerschot.