Toen rector De Sutter (UGent) recent verklaarde dat “een professor die beweert dat er geen genocide is in Gaza daarop moet worden aangesproken” en zich bovendien afvroeg “of die persoon nog kan lesgeven”, ging er iets fundamenteels verloren. Niet enkel een ongelukkige uitspraak uit een positie met dergelijke verantwoordelijkheid, maar een principe dat aan de basis ligt van iedere universiteit die zichzelf ernstig neemt: de vrijheid van denken, spreken en onderzoeken.
Dat De Sutter vervolgens zei dat ook “wie van oordeel is dat het bestaan van een genocide in Gaza een onderwerp van onderzoek kan zijn, een grens overschrijdt”, was ronduit onthutsend. Moraalfilosoof Patrick Loobuyck noemde het terecht zorgwekkend: wanneer zelfs onderzoek — de essentie van academische vrijheid — als grensoverschrijdend wordt bestempeld, verlaat men het domein van de wetenschap en betreedt men dat van de morele zuivering.
Deugd als dogma
Het is ironisch dat juist universiteiten, ooit bakens van vrij denken, steeds vaker vervallen in moreel activisme. In hun drang om “het juiste standpunt” te verdedigen, reduceren ze de werkelijkheid tot een strijd tussen goed en kwaad. Wie nuanceert, bevraagt of afwijkt van de dominante interpretatie — over Gaza, identiteit of migratie — riskeert niet enkel tegenspraak, maar reputatieschade of institutionele afkeuring. Vrij onderzoek betekent niet dat onwaarheden omarmd moeten worden, maar dat ze vrij onderzocht en weerlegd kunnen worden. De waarheid ontstaat niet door consensus, maar door confrontatie van ideeën.
De praktijk op de campus
Dat dit geen theoretische bedenking is, blijkt uit gesprekken die ik recent had met verschillende professoren. Een wiskundedocent aan de faculteit Economie en Bedrijfskunde — wiens naam ik bewust niet vermeld — vertelde dat hij vraagstukken moest aanpassen omdat ze “door bepaalde gevoeligheden in het verkeerde keelgat zouden schieten”. In dit geval ging het over een oefening waarin zwarte pieten figureerden. Ook moesten bepaalde gevoeligheden naar aanleiding van ‘Dekoloniseer UGent’ ervoor zorgen dat sommige teksten in cursussen geherformuleerd moesten worden zodat ze niet op de lange tenen zouden trappen van sommige moraalridders. Wanneer zelfs de inhoud ondergeschikt wordt aan morele gevoeligheid, is het academische klimaat in stilte al verschoven. Het is een subtiele vorm van zelfcensuur: men past zich aan nog vóór iemand aanstoot neemt.
Een gedocumenteerde tendens
Zelfs al in 2019 werd deze tendens empirisch gedocumenteerd. Een studie van de KU Leuven, geplubliceerd in Philosophical Psychology en geciteerd door De Morgen, toonde aan dat driekwart van de filosfen zich politiek links positioneert, tegenover amper 14 procent rechts. Het onderzoek wees bovendien op een opvallend verschijnsel: zelfcensuur. Één van de respondenten getuigde: “Mochten mijn collega’s weten dat ik gematigd rechts ben, dan zou de helft van hen mij een onmenselijk zwijn noemen.” Onderzoekers zoals Andreas De Block (KU Leuven) en Maarten Boudry (UGent) wezen toen al op de gevolgen: wetenschappers begraven conclusies uit angst voor sociale afwijzing, en het intellectuele debat verschraalt. Wat in 2019 werd vastgelegd als waarschuwing, lijkt zes jaar later uitgegroeid tot realiteit.
Andere universiteiten: dezelfde druk
Wat aan de UGent gebeurt, staat niet op zichzelf. Ook aan andere Vlaamse universiteiten klinkt bezorgdheid. Toenmalig Rector Luc Sels van de KU Leuven waarschuwde toen al in zijn openingsrede van 2021 dat academici moeten blijven durven spreken: “zoek tegenspraak op, en cancel ze niet.” Hij erkende dat de zogenaamde wokebeweging waardevolle thema’s op de agenda zet, maar waarschuwde voor een “extreemfractie die militant en intolerant wordt, gepaard gaande met morele zuiverheid.” Die morele zuiverheid is precies het gevaar: wanneer “het goede” een dogma wordt, verliest het zijn morele betekenis en wordt het een instrument van uitsluiting.
Ook professor Alain-Laurent Verbeke (KU Leuven en Harvard) benadrukte onlangs in De afspraak dat dit probleem niet beperkt blijft tot Vlaanderen. Hij wees op de politieke inmening van Donald Trump in de werking van Harvard, wat hij terecht “een aantasting van academische autonomie” noemde. Maar tegelijk stelde hij dat ook van binnenuit een bedreiging groeit: een “intolerant radicaal-links gedachtegoed” dat censuur niet oplegt via staatsmacht, maar via sociale druk en activistische moraal. Volgens Verbeke komt driekwart van de censuur in de academische wereld vandaag niet van regeringen, maar vanuit een radicale interpretatie van progressief denken. “Trump doet hetzelfde, maar dan vanuit de andere richting,” zei hij. “Aan een universiteit moet je in volledige openheid met elkaar van mening kunnen verschillen.”
Die vergelijking legt de paradox bloot: zowel politieke inmenging van bovenaf als ideologische zuivering van binnenuit ondermijnen de academische vrijheid.
Overheidsingrijpen: een ongemakkelijke paradox
Overheidsingrijpen in universiteiten, zoals in het Amerika van Trump, is vanzelfsprekend een bedreiging voor de democratie. Het is de eerste stap in het afbreken van de vierde macht — het vrije intellectuele veld dat macht hoort te bevragen, niet te gehoorzamen. Maar mogen we ons tegelijk niet afvragen of we die ‘overheidsinmenging’ sommige gevallen niet al te simplistisch veroordelen? Wanneer universiteiten zelf een mainstream-denken cultiveren waarin enkel één morele visie nog als deugdzaam geldt, kan de reactie van buitenaf — hoe ongepast ook — misschien gezien worden als symptoom van een dieper probleem: geslotenheid van het academisch debat. Dat rechtvaardigt uiteraard geen politieke controle, maar het illustreert wel dat het intellectuele ecosysteem ziek wordt wanneer het pluralisme verdwijnt. Een universiteit die zichzelf moreel verheven acht boven elk debat, zal onvermijdelijk haar autonomie verliezen.
Echo van Robespierre
Tijdens de Franse revolutie meende Maximillien Robespierre de “deugd” te belichamen. Wat begon als een strijd voor de vrijheid en rechtvaardigheid endigde in de terreur van de guillotine. Ook hij geloofde dat hij het juiste deed — dat wie zijn visie betwistte, moreel verwerpelijk was. Vandaag zien we, gelukkig zonder guillotine, een vergelijkbare neiging: de overtuiging dat men het monopolie heeft op het moreel juiste, en dat afwijking van dat narratief een bedreiging vormt. De universiteit dreigt zo de nieuwe Jacobijnse vergadering te worden — waar men niet langer zoekt naar waarheid, maar naar zuiverheid.
Pleidooi voor intellectuele moed
Een universiteit die haar naam waardig is, moet ruimte maken voor het ongemak. Een stelling als “er is geen genocide in Gaza” hoeft niet als waar aanvaard te worden — maar mag evenmin verboden worden. De taak van de universiteit is niet om te veroordelen, maar om te toetsen, te begrijpen en te weerleggen met argumenten. Vrijheid van meningsuiting is geen luxe van een democratie, maar haar fundament. En net nu dat fundament onder druk staat — van Trump, Poetin tot Xi Jinping — wordt het des te belangrijker dat wij in Europa onze intellectuele vrijheid niet verkwanselen uit angst of moreel ongemak.
Democratie is geen vanzelfsprekendheid, en de universiteit hoort haar levend geweten te zijn — niet haar echo.