donderdag 5 maart, 2026

“Tussen recht en rede”: een gesprek met professor Matthias Storme

© Matthias Edward Storme

De rechtsstaat en vrijheid van meningsuiting staan ogenschijnlijk onder druk. Begrippen als “vrijheid”, “rechtvaardigheid” en “democratie” worden opgerekt, vervaagd of zelfs gewapend. Voor een scherpe analyse van deze evoluties spreken we met professor, advocaat en filosoof Matthias Storme.


 

Was de moord op Charlie Kirk een aanslag op de vrije meningsuiting?

In de eerste plaats was het een aanslag op een mens. Wat de motieven ook waren, het blijft een misdaad. Heeft het iets met free speech te maken? Ja, ergens wel. Maar ik aarzel om het daartoe te herleiden. Dat zou te simplistisch zijn.

Wat het zo schrijnend maakt, is dat hij iemand was die het debat aanging. Altijd. Met zijn eigen stijl, zeker. Maar wel met woorden. En als je dan kijkt naar de feiten: er zijn weinig andere redenen waarom hij vermoord zou zijn, behalve om zijn ideeën. En om de manier waarop hij die publiek bracht.

 

U sprak over het debat dat hij bracht. Vindt u dat we een debatcultuur in Vlaanderen missen?

We hebben in Vlaanderen altijd een beetje een zwakke debatcultuur gehad. Er is debat, zeker. Maar het loopt vaak mis. Te veel discussies gaan op de man. Te veel ad hominem. Te weinig inhoud. Wat me stoort, is hoe woorden worden misbruikt. Sommige debatten zijn al gekeerd nog voor ze begonnen zijn. Als je moet uitleggen wat een woord betekent, weet je vaak al: hier wordt met slogans gegooid, niet met argumenten.

Ik had onlangs een interessante discussie met Tom Nagels op Facebook. Het ging over een artikel over Nederland: democratie versus rechtsstaat. Sommigen beweren dat de rechterzijde kiest voor de democratie tegen de rechtsstaat en de linkerzijde voor de rechtsstaat tegen de democratie. Maar om het eerste te kunnen zeggen moet je toch een sterk opgeblazen begrip rechtsstaat hanteren. Meer algemeen zie je vooral aan de linkerzijde een tendens om woorden op te rekken. Niet altijd, er zijn tegenvoorbeelden. Maar vaak worden begrippen ideologisch gevuld. Neem “geweld”. Dat was ooit fysiek. Nu is het ook verbaal, psychologisch, symbolisch. Dat maakt het stigma breder toepasbaar. Of “rechtsstaat”: daar wordt alles ingestopt wat men belangrijk vindt. En als je het daar niet mee eens bent, ben je zogezegd tegen de rechtsstaat. Terwijl je misschien net een verdediger bent van de oorspronkelijke, beperkte betekenis.

Dat zorgt voor spanningen. Democratie en rechtsstaat worden tegenover elkaar gezet, terwijl ze in essentie niet zo ver van elkaar staan. Maar als je rechtsstaat opblaast tot een allesomvattend ideaal, dan wringt het met democratie. En omgekeerd: als je democratie oprekt tot alles wat je zelf waardevol vindt, dan wordt elke kritiek antidemocratisch.

Ik schreef onlangs dat de rechtsstaat vandaag als wapen wordt ingezet tegen de democratie. Daarmee heb ik niet gezegd dat de democratie op geen enkele manier mag getemperd worden. Grote denkers zoals Montesquieu zagen die spanning ook. Hij pleitte voor een gemengd systeem, waarin aristocratie een matigende rol speelt. Tegelijk benadrukte hij de scheiding der machten. Maar dat betekent niet dat rechters altijd het laatste woord moeten hebben, zoals sommigen vandaag beweren.

 

De regering is nu aan het nadenken om organisaties zoals Antifa te verbieden. U bent daar geen voorstander van. U schreef zelf dat radicalisme geen gevaar is voor de democratie. Verklaar u nader.

Nee, ik ben geen voorstander van het zomaar verbieden van organisaties. We hebben in dit land vrijheid van vereniging. Die moet je respecteren. Tegelijk kun je misdrijven gewoon bestraffen. Daarvoor bestaan al voldoende strafbepalingen. Als het gaat over geweld of opruiing, dan hebben we al wetten. Zelfs medewerking of medeplichtigheid is in veel gevallen strafbaar. Dus wat voegt een verbod dan nog toe? Behalve misschien een dosis symboolpolitiek en daar mag je gerust vragen bij stellen.

Wat wél iets anders is, is de manier waarop de overheid omgaat met subsidies. Daar mag ze gerust kritischer en selectiever in zijn. Zeker in Vlaanderen, waar de subsidiecultuur stevig verankerd zit. Je hoeft niet alles te faciliteren of ondersteunen. En ja, in die context kun je strengere criteria hanteren dan in het strafrecht. Dat is logisch. Maar dan moet je wel duidelijk zijn: wanneer ben je lid van een organisatie zonder formeel lidmaatschap? Dan moet je werken met begrippen als “medewerken aan” of “medeplichtig zijn aan” en vooral: aan welk misdrijf precies?

 

Ziet u oplossingen voor de juridisering van de samenleving?

Het is voor een stuk een cultuurprobleem. We leven in een samenleving waarin de claimcultuur groeit, en het gemeenschappelijk streven afneemt. Ik las onlangs het boek ‘Nous et les autres – l’identité sans fantasmes’ van Alain de Benoist. Een interessant werk. Halverwege stootte ik op een gedachte die me raakte: de tegenstelling tussen een cultuur van het goede en een cultuur van het rechtvaardige.

Volgens de Benoist heeft het liberalisme de focus op het bonum commune-het algemeen belang-vervangen door een hypertrofie van rechtvaardigheid. Alles moet rechtvaardig zijn. Alles wordt geanalyseerd in termen van rechten. En dat leidt tot een overdrijving van individuele rechten. Die overdrijving botst met een politiek van het goede. Want als elk beleid moet voldoen aan een perfect rechtvaardigheidskader, dan wordt het moeilijk om nog collectieve doelen na te streven. Tegelijk moeten we oppassen: een politiek van het goede kan ook gevaarlijk zijn. Als je het goede oplegt en het kwade verbiedt, kom je snel in conflict met de vrijheid van meningsuiting.

Vrijheid van meningsuiting mag nooit beperkt worden tot het uiten van ‘goede’ ideeën. Dat zou het einde zijn van echte vrijheid. Maar als politiek streefdoel -het algemeen belang- moet er wel ruimte zijn om dat na te streven. Vandaag botst dat op een discours waarin individuele rechten alles overheersen. Je ziet dat zelfs in begrotingsdebatten: het collectieve raakt ondergesneeuwd.

 

Verantwoordelijkheid moet terug meer op de voorgrond komen?

Verantwoordelijkheid gaat verder dan het individu. Ze impliceert ook zorg voor de gemeenschap. Maar dat veronderstelt dat individuele rechten niet te ver zijn doorgeschoten.

Ik was op de boekvoorstelling van Quinten Jacobs. Hij wijst er bijvoorbeeld op dat het saneren van de overheidsfinanciën botst op de interpretatie van het standstill-beginsel in de sociale zekerheid. En dat is een dwaling. Dat beginsel is problematischer dan het toekennen van minimumrechten. Die minimumrechten zijn verdedigbaar. Maar het standstill-principe is ontstaan uit een verkeerde gevolgtrekking van een goed idee.

Het idee was: sociale rechten moeten beschermd worden. Maar de interpretatie werd: ze mogen nooit worden teruggeschroefd. Dat blokkeert elk debat over hervorming. En dat is nefast voor een beleid dat verantwoordelijkheid wil nemen, niet alleen voor het individu, maar voor de samenleving als geheel.

 

Hoe bedoelt u?

Het goede principe waar het allemaal mee begon, staat in de sociaal-economische grondrechten. Maar die zijn nooit bedoeld als absolute individuele rechten. In Duitsland noemt men ze Staatszielbestimmungen: opdrachten aan de overheid.

Als je zegt: “Iedereen heeft recht op werk”, dan bedoel je niet dat iemand de staat kan dagvaarden omdat hij werkloos is. Wat je bedoelt, is dat de overheid een tewerkstellingsbeleid moet voeren. Dat was een verstandige gedachte. Alleen is die in de Belgische grondwet ongelukkig verwoord.

In Duitsland is dat beter aangepakt. België heeft die rechten geformuleerd als individuele aanspraken, maar tegelijk gas teruggenomen: ze moeten door de wetgever worden gerealiseerd, ze hebben geen directe werking. Tot daar nog logisch. Maar dan kwam het standstill-beginsel. Zodra de wetgever bepaalde rechten toekent, mag hij dat niveau niet meer terugschroeven. En daar is het fout gegaan. Want dat principe negeert de context: de verantwoordelijkheid van beleid, de financiële draagkracht van een samenleving, de beschikbare middelen.

Het probleem is dat rechters rechten toekennen zonder te moeten zorgen voor de middelen. Ze wijzen besparingen af, maar hoeven zelf geen budget op te stellen. Eigenlijk zou je in de grondwet moeten opnemen: als een rechter een beslissing neemt die geld kost, moet hij ook aangeven waar dat geld vandaan moet komen.

 

Vindt u dat er activisme is binnen rechtbanken?

We moeten het probleem van rechterlijk activisme correct inschatten. Het gaat niet over de meerderheid van de rechters. Hoogstens speelt het bij een kleine groep, in een beperkt aantal materies. Vreemdelingenrecht is daar het duidelijkste voorbeeld van.

Belangrijk is dat we twee extremen vermijden. Enerzijds het alles-op-een-hoop-discours, anderzijds het negationisme, waarbij juristen, magistraten of politici doen alsof er geen probleem is. We moeten het probleem tot zijn juiste proporties herleiden, zonder het weg te wuiven.

Wie het publieke debat domineert, gaat vaak te ver. Maar als je met magistraten zelf spreekt, hoor je iets anders. De meerderheid zegt: “Wij zijn zo niet. Wij zijn het niet eens met hoe het begrip ‘rechtsstaat’ vandaag als wapen wordt ingezet.” Dat is niet hoe zij hun taak zien. Ik heb mijn ideeën daarover neergeschreven in het slotwoord van de bundel 50 jaar beleid van de rechter. Ik probeerde tegelijk provocatief en genuanceerd te zijn. Vroeger vreesde men de vrederechter die in zijn eigen kanton cassatie speelde; iemand die kleine zaken subjectief invulde, op basis van sympathie of antipathie. Dat was het klassieke beeld van activisme: niet-generaliseerbare rechtspraak, puur individueel.

Maar vandaag ligt het gevaar elders. Niet bij de subjectieve rechter, maar bij de intersubjectieve rechtspraak. Wanneer magistraten collectief een bepaald soort rechtspraak ontwikkelen die ingaat tegen democratisch beleid. Dat risico groeit naarmate een magistraat meer macht heeft. Hoe hoger het gerechtshof, hoe groter het risico. Dat wil niet zeggen dat het Grondwettelijk Hof in België systematisch te ver gaat. Meestal getuigt het van voldoende wijsheid. Maar in sommige zaken, zoals het standstill-beginsel, zijn ze wél te ver gegaan.

 

Hoe kijkt u naar de protesten van magistraten de afgelopen tijd?

Ik heb gemengde gevoelens bij de discussie. Want ja, ik begrijp zeker een deel van de bezorgdheden. De werkomstandigheden van magistraten zijn ondermaats. Het gaat over uitrusting, logistiek, gebouwen. Daar is dringend verbetering nodig.

Maar ik ben niet overtuigd dat we overal te weinig rechters hebben. In principe is het met het huidige aantal mogelijk om het werk te doen, op voorwaarde dat rechters beter ondersteund worden. Meer medewerkers, betere infrastructuur. Ik zou dus niet meteen extra rechters benoemen. Ik zou elke rechter twee medewerkers geven. Omdat je zo de eenheid van rechtspraak beter bewaart. Hoe groter het korps, hoe moeilijker het wordt om kwaliteit en coherentie te garanderen. En we zitten nu met een tekort aan goede kandidaten. Het aantal kandidaat-rechters is te laag. Er is dus nood aan actie: betere ondersteuning, betere uitrusting, betere omkadering. Zonder twijfel.

Wat de pensioenen betreft: je kunt daar niet zomaar aan knabbelen als het inkomen niet in verhouding staat. Als je pensioen beschouwt als uitgesteld loon, dan moet je dat ook waarmaken. Dat is een legitieme bekommernis. Al blijf ik erbij: staken is niet de juiste weg. Maar de bezorgdheid begrijp ik volledig.

 

Minister Verlinden pleitte voor 1 miljard extra middelen voor justitie. Is dat de oplossing om de protesten tegemoet te komen?

Ik denk dat extra middelen voor justitie onvermijdelijk zijn. Of het daarom zoveel moet zijn als minister Verlinden voorstelt, en of ik het op dezelfde manier zou besteden, is een andere vraag.

Dat miljard waarover ze spreekt, omvat veel meer dan justitie in enge zin. Het gaat ook over gevangenissen, infrastructuur, logistiek. Het hele plaatje dus. Maar tegelijk moeten we durven kijken naar de oorzaken. Waarom hebben we zo’n hoge gevangenispopulatie? Waarom werkt preventie zo slecht? Waarom belanden zoveel geschillen voor de rechtbank? Misschien zijn sommige wetten gewoon niet goed genoeg.

Die oefening moet gemaakt worden. Want ja, op korte termijn is er geld nodig. Het systeem kraakt. Niet overal, maar op veel plaatsen. Toch mag dat ons niet ontslaan van een kritische blik. Moet dat niveau van uitgaven op lange termijn gehandhaafd blijven? Of kunnen we via preventie en hervorming zorgen dat het slanker wordt? Justitie heeft middelen nodig. Maar ook visie. En durf om het systeem te herdenken.

 

Wat ziet u als belangrijkste oplossing om de gerechtelijke achterstand op te lossen, zeker in de Franstalige kamer van het Hof van Beroep van Brussel?

Het Hof van Beroep in Brussel is een complete miskleun. Dat het ook nog eens het enige tweetalige hof in ons land is, maakt het er niet beter op. Een splitsing zou volgens mij al een verschil maken. Niet als toveroplossing, maar wel als stap vooruit.

Ook de responsabilisering van de gemeenschappen voor hun rechtscolleges zou helpen. In veel federale staten gebeurt dat al. In Duitsland bijvoorbeeld worden de gerechtelijke instellingen, op de hoogste rechtscolleges na, betaald vanuit de deelstaatbegroting. In de VS zie je hetzelfde, al zijn er daar meer federale rechtbanken dan in Duitsland. Zou dat alles oplossen? Nee. Maar het zou wel helpen. Want naast structuur moet je ook kijken naar procedures, cultuur en werkmethodes. En daar wringt het.

We beschikken over bijzonder slechte statistieken om te weten waar het misloopt. De magistratuur werkt daar niet altijd aan mee. Sommigen doen dat vanzelfsprekend wel, maar anderen werken manifest tegen. Dat belemmert elke poging tot hervorming.

 

Waarom wordt het bijhouden van statistieken tegengewerkt?

Het is niet evident om te zeggen of magistraten genoeg leveren. Je kunt niet zomaar afgaan op het aantal uren dat iemand op een dossier zit. Het gaat om de output. Om wat er effectief geleverd wordt. Maar dat is moeilijk te meten. Je kunt productiviteit ook kunstmatig opdrijven. Vijf tussenvonnissen, vijf keer zitting, dat lijkt veel, maar is het dat ook? Het kan niet de bedoeling zijn dat we dat soort gedrag gaan stimuleren.

We moeten dus voorzichtig zijn met wat we tellen. En hoe we dat interpreteren. Want op dit moment hebben we geen degelijke cijfers. Geen betrouwbare data om echt te weten waar het misloopt.

Ook advocaten spelen daarin een rol. Zeker in strafzaken zie ik problemen. Je mag niet iedereen over één kam scheren, maar het is duidelijk: hoe groter het ego, hoe meer het de goede rechtsbedeling in de weg staat.

 

Tot slot, hoe kan onze grondwet versterkt worden?

Ik ben een groot voorstander van de grondwet van 1830. Die had een bijzonder sterke structuur. Ze beschermde vrijheden niet alleen in abstracte termen, maar bouwde ook waarborgen in. Algemene én specifieke. Zoals de “cascade” van aansprakelijkheid bij drukpersmisdrijven, of de jury, het censuurverbod: allemaal maatregelen die een tweede verdedigingswal inhouden om de achterliggende vrijheden te beschermen.

Vandaag is dat voor velen te complex. Er is dringend nood aan een beter begrip van onze grondwet ook van de mechanismen die haar beschermen. Want de rechtsstaat is iets anders dan het geheel van mensenrechten. Als je alles wat in het mensenrechtendiscours zit tot rechtsstaat verheft, gooi je twee zaken door elkaar. Vandaag worden juridische begrippen gewapend. In het Engels noemt men dat lawfare: oorlog voeren met het recht. Maar rechtvaardigheid is te belangrijk om te laten vervagen. We moeten de essentie van de rechtsstaat beschermen. Niet alles erin stoppen wat ons politiek goed uitkomt.

 

 

© Matthias Edward Storme

Em. prof. dr. Matthias Storme (°1959, Gent) is jurist, advocaat en hoogleraar, gespecialiseerd in grondrechten, Europees recht en insolventierecht. Hij studeerde Rechten en Filosofie in Leuven, Yale, Bologna en Hamburg, en doceerde aan universiteiten wereldwijd.

 

 

 

author avatar
Toulouse Clemens
Toulouse Clemens (°2004) is eerstejaars masterstudent rechten aan de Universiteit Gent en hoofdredacteur van Den Borluut, waar hij zich inzet op interviews en inhoudelijke verdieping. Gedreven door een brede interesse in politiek, economie en geschiedenis, zoekt Toulouse actief naar raakvlakken tussen recht en samenleving. In 2024 nam hij deel aan het Vlaams Jeugdparlement, waar hij zijn stem liet horen in het debat over de toekomst van Vlaanderen.
In dit artikel

Neem contact met ons op

Deel dit artikel