donderdag 5 maart, 2026

Quinten Jacobs: “Het recht is een juridische fictie die alleen werkt zolang we er collectief in geloven.”

© Quinten Jacobs

Het boek Het betonnen beleid van advocaat Quinten Jacobs sloeg in als een mokerslag: lovende recensies, sterke verkoopcijfers en een debat dat meteen losbarstte. Jacobs legt bloot hoe de kiezer gevangen zit in een systeem dat zichzelf heeft vastgemetseld, van de Belgische staatsstructuur tot de Europese Unie en zelfs de mensenrechten. Het zijn thema’s die om duiding en debat vragen. Wij spraken met de auteur over zijn diagnose van de politieke stilstand én zijn pleidooi voor een heropleving van de ideeënstrijd.


 

Vanwaar het idee om een boek te schrijven?

Veel mensen hebben het gevoel dat de politiek niet meer levert. Dat er niets vooruitgaat en alles vastzit. In de media gaat het dan constant over wie schuld treft: de particratie, sociale media, laffe politici… Dat zijn stuk voor stuk relevante politicologische factoren, maar ze verklaren niet het volledige verhaal.

Ik merk dat één aspect vaak onderbelicht blijft: ons systeem zélf maakt verandering moeilijk, zeker wanneer verkiezingen naderen. Dat wilde ik blootleggen. Daarom heb ik dit boek geschreven.

 

In het betonnen beleid gaat het om drie zaken die echt vastzitten: onze staatsstructuur, de EU en de mensenrechten. Welke van die drie is het meest ‘gewapend’?

Ik denk meteen aan de Europese Unie. Europese verdragen aanpassen is bijzonder moeilijk: je hebt daarvoor alle 27 landen nodig. Vergelijk dat met onze staatsstructuur: die kunnen we zelf aanpassen met een tweederdemeerderheid. Dat is moeilijk, zeker, maar we hebben het wél al zes keer gedaan.

In Europa moet je ook landen als Hongarije mee krijgen. Dat lijkt me allesbehalve evident. Dat maakt Europa voor mij de meest ‘gebetonneerde’ laag.”

 

U woont zelf in Brussel. Is Brussel het toonvoorbeeld van een fout gelopen staatsstructuur?

Zeker. Het is eigenlijk absurd: op een gebied van amper 161 vierkante kilometer hebben we zes parlementen die hier bevoegdheden uitoefenen. Daarbovenop heb je nog eens 19 gemeenten. Die versnippering zorgt voor twee grote problemen.

Ten eerste voor politici. Zij kunnen een Brussels probleem vaak niet zelf aanpakken, omdat ze maar bevoegd zijn voor een klein stukje van de oplossing. Niemand heeft het volledige instrumentarium in handen.

Ten tweede voor de kiezer. Brusselaars hebben heel uiteenlopende bezorgdheden, maar ze weten zelden wie verantwoordelijk is. Als je je onveilig voelt aan een treinstation: op wie moet je dan stemmen of tegen wie moet je stemmen? Als je iets wil veranderen aan de fraude in het OCMW van Anderlecht, wie spreek je dan aan? Of bij problemen rond nieuwkomers die op straat moeten slapen?

De problemen in Brussel zijn niet toe te wijzen aan één bevoegdheidsniveau, waardoor politici ze niet volledig kunnen oplossen én kiezers niet weten wie ze moeten afstraffen of belonen. Dat zijn volgens mij de twee grote gevolgen van die ingewikkelde staatsstructuur.”

 

In uw boek gaat het ook over het infuus waar de deelstaten aan hangen. Wat moet daaraan veranderen?

Het probleem is dat onze deelstaten vandaag weinig fiscale autonomie hebben. Meer dan de helft van hun budget komt gewoon via geldstromen van de federale overheid. Die dotaties zijn bovendien gekoppeld aan de index en voor een stuk aan de economische groei. Dat betekent dat die middelen automatisch blijven stijgen, zonder dat Vlaanderen of Wallonië daar iets extra voor moeten doen.

Om een idee van de omvang te geven: tussen 2021 en 2024 kreeg Vlaanderen er zomaar 6 miljard euro bij via die federale geldstroom. Dat is twee keer het volledige budget van Justitie. Dat komt er dus gewoon bovenop. Het gevolg? Vlaanderen kan premies uitdelen voor frigobonnen of elektrische wagens, terwijl op federaal niveau het dak van het justitiepaleis naar beneden valt.

Wat moet er dan veranderen? We moeten de band tussen inkomsten en uitgaven herstellen. Wie betaalt, bepaalt én wie wil uitgeven, moet daar ook zelf belastingen voor heffen. Daarom pleit ik in mijn boek voor meer fiscale autonomie voor de deelstaten. Als een regering meer wil uitgeven, moet ze dat zelf financieren, en dan kan de kiezer duidelijk beoordelen of dat een goed idee is of niet.”

 

U pleit ook voor een primaat van de politiek.

Ik spreek eigenlijk liever over het primaat van de kiezer. Mijn sympathie gaat niet naar politici die “meer moeten kunnen doen”, maar naar de kiezer die op een verkiezingsdag gaat stemmen en denkt: Nu zullen mijn ideeën eindelijk ingang vinden.”

Die kiezer moet dan vaststellen dat er, ondanks alle beloftes, weinig verandert en dat beloften worden verbroken. Vervolgens stemmen ze vaak op radicale antisysteempartijen. Daarom vind ik dat de kiezer opnieuw centraler moet komen te staan in ons politieke systeem.

Sommige mensen vragen me: “Is dat dan geen apologie voor politici? Ben je niet te mild voor hen?” Helemaal niet. Het systeem dat ik bekritiseer, is door politici zelf gebouwd. De staatsstructuur is niet uit de lucht komen vallen. En het is uiteindelijk de kiezer die daar de rekening voor betaalt.

 

Vindt u dat de ideeënstrijd opnieuw sterker moet gevoerd worden om de kiezer terug te winnen tegenover populistische partijen?

Veel meer, ja. Dat is eigenlijk een van de kernpunten van mijn boek. In plaats van onze overtuigingen te betonneren in de drie domeinen die ik beschrijf, pleit ik ervoor om ze opnieuw in de democratische besluitvorming te brengen, gewoon in de meerderheidsspelregels.

Als ideeën weer kunnen botsen, kan de politiek keuzes maken op basis van inhoud en overtuiging. Neem bijvoorbeeld de vraag of we onze klimaatuitstoot met 55% moeten verminderen tussen 1990 en 2030. Dat debat zou opnieuw in het parlement gevoerd moeten worden, waar iedereen mee beslist, en niet enkel in de rechtbank. Dat is voor mij de essentie van een levende ideeënstrijd.

 

U schreef over dat laatste onlangs in een column. Verwacht u kritiek van uw mede-juristen?

Ja, dat verwacht ik wel. Bij juristen bestaat er een grote terughoudendheid om openlijk kritiek te geven op rechterlijke uitspraken. Dat begrijp ik tot op zekere hoogte, maar we moeten wél stoppen met te doen alsof een vonnis het resultaat is van een soort algoritmische, wiskundige oefening waarbij een wet automatisch op een feit wordt toegepast en er maar één juiste uitkomst bestaat.

Zo werkt het niet. De toetsing aan mensenrechten, of aan open normen zoals de zorgvuldigheidsnorm in het privaatrecht, gaat per definitie over vage begrippen. Is een overheid zorgvuldig? Zijn coronamaatregelen verenigbaar met individuele vrijheden? Redelijke mensen kunnen daarover oprecht van mening verschillen.

Een rechter maakt in zulke gevallen een keuze. En net omdat het een keuze is, mag die keuze ook bekritiseerd worden. Dat lijkt me een gezonde houding in een democratie.

 

Hoe moet de verhouding tussen de trias politica terug hersteld worden, om het vertrouwen in de drie machten te herstellen?

Iedereen moet vooral op zijn eigen terrein blijven. Dat betekent dat de wetgevende macht in het parlement zelf moet nadenken over wat grondwettelijk is. Leo Tindemans zei het al in 1976 toen parlementsleden kritiek hadden op Egmontpact dat het ongrondwettig zou zijn, ‘goed dat jullie kritiek geven want als het parlement niets meer zegt over de grondwettigheid van wetten, wordt het parlement een ornament, een versiering zonder echte functie.’ De grondwet is geen vodje papier om zomaar aan de kant te schuiven. Die taak van het parlement is totaal verdwenen.

Aan de andere kant moet de rechterlijke macht ook op haar terrein blijven. We hebben een uniek systeem waarin rechters – onverkozen juristen – de meerderheid van verkozen politici kunnen terugfluiten. Dat is een enorme intellectuele prestatie en iets om trots op te zijn. Maar het is ook een ‘nucleair wapen’, dat je uiterst voorzichtig moet inzetten. Het moet gereserveerd blijven voor zeldzame en ernstige gevallen.

Als het te vaak wordt gebruikt als een banaal politiek middel, dan ondergraaft dat de effectiviteit en de legitimiteit van de rechterlijke macht. Een gezonde scheiding der machten betekent dus respect voor elkaars rol én verstandige grenzen. Alleen zo kunnen we het vertrouwen in de drie machten herstellen.

 

© Ertsberg

 

U schrijft in uw boek dat zowel de Europese verdragen, de staatsstructuur als zelfs de Belgische grondwet een juridische fictie zijn. Kunt u dat nader uitleggen?

Elke jurist moet beseffen dat het recht, en wat er op papier staat na een stemming in het parlement, de wereld op zichzelf niet verandert. Mensen hun dagelijks leven gaat gewoon verder. In het beste geval wordt een wet uitgevoerd en gehandhaafd, en verandert de maatschappij daardoor beetje bij beetje.

Maar als die overtuiging om het recht te volgen niet leeft, dan blijft het recht eigenlijk een fictie.

Neem bijvoorbeeld de minister van asiel en migratie die werd veroordeeld omdat zij asielzoekers niet opvangt en daarvoor dwangsommen moet betalen. Zij betaalt die dwangsommen niet. En wat gebeurt er dan? Niks.

Het recht is dus, nuchter bekeken, een soort afspraak die we met elkaar maken en geloven dat iedereen zich eraan houdt. Dat is een ongelooflijke prestatie. Maar het is belangrijk om niet te vergeten dat het in de kern een constructie is – een juridische fictie – die alleen werkt zolang we er collectief in geloven en haar respecteren. De beste manier om je politieke doel te bereiken en op lange termijn echte verandering door te voeren, is door de geesten van mensen te veroveren.

 

Over mensenrechten: staat de vergoddelijking van mensenrechten symbool voor de individualisering van de samenleving?

Ik ben het daar deels mee eens. Veel mensen beseffen niet dat alleen omdat jij een standpunt hebt, dat niet betekent dat dat aan iedereen moet worden opgelegd. In een democratie moet je kunnen accepteren dat als jij er je niet slaagt om de meerderheid van de mensen te overtuigen, dat idee niet wordt doorgevoerd.

Mijn oproep aan politici en burgers is daarom: make your case. Overtuig de geesten en harten van mensen, en probeer niet alles via de rechtbank af te dwingen. Want ja, de rechtspraak maakt gebruik van abstracte begrippen – zoals het recht op leven – die inherent moeilijk te concretiseren zijn. Die vage termen worden soms gebruikt om individuele politieke claims af te dwingen en zo het belang van de verkiezingsuitslag te minimaliseren.

Maar let op, die strategische procesvoering is een boemerang die terugkomt. Wie deze ‘doos van Pandora’ opent, mag niet verbaasd zijn als de tegenstanders hetzelfde gaan doen. Kijk naar de VS: progressieven rekenden lang op het recht op abortus, dat via rechterlijke interpretaties vervat zat in het recht op privacy. Toen het parlement dat niet kon veranderen, hebben conservatieven hun eigen rechters benoemd en het recht op abortus zo via de rechterlijke macht geprobeerd te herroepen. Dat is verwerpelijk, maar geen enkel systeem kan dat volledig voorkomen.

Als je de politieke strijd verschuift van het parlement naar de rechtszaal, moet je niet verbaasd zijn als de tegenstanders die tactiek ook toepassen.

 

In uw boek spreekt u over een ‘grondwettelijk moment’ voor onze grondwet. Vindt u dat zoiets ook moet gebeuren met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)?

Ja, ik denk dat dat conceptueel zeker mogelijk is en ook zinvol zou kunnen zijn voor het EVRM. Wat we nu zien, is dat er vanuit lidstaten brieven worden gestuurd naar het Hof en dat is eigenlijk vrij vreemd, want daar is geen duidelijke procedure voor.

Ik denk dat het nuttiger is om dit op een veel beter omlijnde, institutionele manier te organiseren. Daarom pleit ik voor een soort ‘grondwettelijk moment’ ook op het niveau van het EVRM.

 

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) krijgt vaak kritiek omdat het migratiebeleid in Europa beïnvloed zou worden door eerdere uitspraken. Hoe kijkt u daarnaar?

Natuurlijk ben ik een groot voorstander van mensenrechten, zonder die rechten zou niemand hier willen wonen. Ook vind ik het goed dat rechters beslissingen kunnen vernietigen als die in strijd zijn met mensenrechten.

Maar ik ben tegen het idee dat die mensenrechten als een soort onveranderlijke natuurwet boven ons hangen en steeds verder uitdijen, waartegen je niets kunt doen, ook niet als de interpretatie ervan door de tijd sterk evolueert.

Soms hoor ik: “Ja, maar de politiek kan toch de grondwet of het EVRM aanpassen?” Los van het feit dat dat praktisch vaak onhaalbaar is, is dat juridisch ook schieten met een kanon op een mug.

Wat verwacht men dan? Dat politici in de grondwet zetten dat het recht op leven niet betekent dat we de uitstoot van broeikasgassen tussen 1990 en 2030 met 55% moeten verminderen, zoals in de Klimaatzaak werd geoordeeld? Dat is absurd, want het recht op leven is inherent abstract. Niemand betwist het recht op leven zelf, het gaat om de uitdijende interpretatie ervan.

Juist daarom pleit ik in mijn boek voor zo’n ‘grondwettelijk moment’, een moment waarop we samen goed nadenken over zulke fundamentele interpretaties en waar we ruimte maken voor democratische keuzes, zonder het recht zomaar te ontkennen.

 

Tot slot, ziet u uzelf eerst de politiek ingaan of eerst een vervolgboek schrijven?

Mijn boek ligt nu drie weken in de winkel, maar mijn voorstellen zijn nog niet ingevoerd. Dus ik vermoed dat ik nog heel wat parochiezalen moet bezoeken, interviews moet geven en lezingen moet houden om mensen écht te overtuigen van mijn ideeën.

Op termijn moet ik daarvoor de politiek in gaan, dat besef ik wel. Maar op mijn leeftijd is het vaak slimmer om eerst buiten de politiek na te denken dan er middenin te zitten en hetzelfde te moeten denken als een partijvoorzitter.

Kortom: een tweede boek schrijven komt waarschijnlijk eerst, voordat ik de stap naar de politiek zet.

 

 

© Quinten Jacobs

Quinten Jacobs (1999°) is advocaat grondwettelijk recht bij Eubelius en praktijkassistent aan de KU Leuven. Hij is columnist bij De Tijd en lid van de Vrijddaggroep. Zijn boek ‘Het betonnen beleid’ werd in oktober van dit jaar gepubliceerd.

 

 

author avatar
Toulouse Clemens
Toulouse Clemens (°2004) is eerstejaars masterstudent rechten aan de Universiteit Gent en hoofdredacteur van Den Borluut, waar hij zich inzet op interviews en inhoudelijke verdieping. Gedreven door een brede interesse in politiek, economie en geschiedenis, zoekt Toulouse actief naar raakvlakken tussen recht en samenleving. In 2024 nam hij deel aan het Vlaams Jeugdparlement, waar hij zijn stem liet horen in het debat over de toekomst van Vlaanderen.
In dit artikel

Neem contact met ons op

Deel dit artikel