Op de zoveelste stakingsdag van 2025 analyseert Marc De Vos, professor Europees en sociaal recht en co-CEO van denktank Itinera, de rol van vakbonden, de uitdagingen van de welvaartsstaat en het federale begrotingsakkoord. Met scherpe inzichten legt hij bloot waar België vastloopt en waar de echte motor van verandering moet worden aangezet.
Een driedaagse staking, waarvan één nationale stakingsdag. Vindt u dat proportioneel?
“Staken is een grondrecht, maar het is tegelijk bedoeld om veel overlast te veroorzaken en druk te zetten. Dat maakt het per definitie een zwaar middel. Als jurist erken ik dat recht, maar ik zie ook dat vakbonden al decennialang in een permanente oppositiemodus zitten. De frequentie en duur van hun acties zijn al lang voorbij de grens van redelijkheid.
De discussies over langer werken, pensioenhervormingen en sociale zekerheid lopen al zeker 25 jaar. Al die tijd heb ik geprobeerd bij te dragen aan een duurzame combinatie van economische welvaart en sociale bescherming, zodat we de uitdagingen van vergrijzing en diversiteit konden aanpakken. Maar telkens opnieuw blokkeerden vakbonden fundamentele hervormingen: eerst over langer werken en brugpensioen, dan over diverse pensioenhervormingen en nu over het afbouwen van pensioenongelijkheid tussen statuten. Nooit zijn we bevallen van een ambitieuze visie over betere loopbanen die uiteindelijk ook betere pensioenen opleveren. Regeringen sleutelden hoogstens in de marge, terwijl de noodzakelijke structurele aanpassingen uitbleven. Het gevolg? Vandaag zitten we met een acute begrotingscrisis. Hervormingen gebeuren niet omdat ze positief zijn voor loopbanen en pensioenen, maar omdat de begroting ons met het mes op de keel dwingt. Dat is bijzonder pijnlijk. De vakbonden oogsten nu wat ze jarenlang gezaaid hebben: een noodsituatie.
Ons land kampt intussen met een van de hoogste overheidsschulden en tekorten in de eurozone, en tegelijk bijna met de laagste groei. Dat is een dodelijke combinatie. En dan hebben we het nog niet gehad over nieuwe uitdagingen: klimaat, migratie, veiligheid, defensie, geopolitiek. Kerntaken van de overheid zijn jarenlang verwaarloosd, omdat we steeds gefocust waren op het betalen van de erfenis van het verleden.
Daarom vind ik dit soort stakingen disproportioneel. Niet zozeer omdat ze escaleren, maar omdat ze de uiting zijn van een permanente protestmodus, van een dieper cultuurprobleem dat ons verhindert om samen de toekomst te maken en om daarin ook onze persoonlijke verantwoordelijkheid te zien en te nemen. Van organisaties die mee aan de knoppen zitten van beleid en sociale zekerheid verwacht je dat ze helpen moderniseren, dat ze hun technische bagage inzetten om moeilijke veranderingen te begeleiden. Dat is hun legitimiteit. Als ze dat niet doen en enkel blokkeren, dan moet je je afvragen waarom we hen überhaupt een institutionele rol hebben gegeven.”
Zou het Gent-systeem moeten veranderen volgens u?
“Ik zeg al enkele jaren dat vakorganisaties zichzelf aan het marginaliseren zijn in de publieke opinie, zeker tegenover de partijpolitiek. Wie vandaag politicus is, heeft in zijn volwassen leven nooit iets anders gekend dan vakbonden die protesteren. Hoe kun je dan verwachten dat er een constructieve spanning ontstaat tussen vakorganisaties en politiek, een dynamiek waarbij één plus één meer is dan twee?
Als die waardepropositie niet structureel wordt ingevuld, zal vroeg of laat ook de structuur aangepast worden aan die realiteit. In Vlaanderen is dat al ingezet in het nieuwe bestuur van de VDAB, waar de sociale partners minder prominent zijn. Vakbonden zagen uiteindelijk de poten weg van de stoel waarop ze zelf zitten door zich uitsluitend te beperken tot een negatief protestdiscours of tot extreme recepten die politiek onhaalbaar en economisch onwenselijk zijn. Ze zijn een deel van het probleem, terwijl ze eigenlijk een deel van de oplossing zouden moeten zijn. In de eerste fase levert dat protest veel politieke aandacht op en leidt het tot obstructie. In de tweede fase ziet men dat vakorganisaties vooral roepen aan de zijlijn, een ‘luis in de pels’ zonder echte impact. En in de derde fase worden ze gewoon genegeerd: men zegt openlijk dat er geen reden meer is om rekening met hen te houden.”
Moeten vakbonden rechtspersoonlijkheid krijgen?
“Als je zegt dat vakbonden medebestuurders en medebeslissers zijn, dan moet je ook erkennen dat ze mee verantwoordelijk zijn. A zeggen is ook B zeggen.
Ik ken geen enkel ander land waar vakbonden zo sterk geïnstitutionaliseerd en mee gefinancierd worden met publieke middelen, zonder rechtspersoonlijkheid. Dat is een historische erfenis van vakbonden als risicovolle vrije verenigingen, maar in de context van een moderne welvaartsstaat is dat moeilijk te verantwoorden. Het leidt bovendien tot excessen: niet alleen voordelen voor vakbonden, maar ook misbruiken tegen hen. Het voedt de juridisering van sociale conflicten, met kortgedingen en procedures die kunnen worden ingezet om individuen te intimideren. Daarom zie ik rechtspersoonlijkheid niet als een vraag ‘voor of tegen’ vakbonden, maar gewoon als de normaalste zaak van de wereld. Het is een kwestie van verantwoordelijkheid en goed bestuur. Bovendien zou het volgens mij leiden tot een gezondere positie van het sociaal overleg bij geschillen en conflicten.
Vandaag willen vakbonden tegelijk vrijbuiters kunnen zijn die chaos kunnen organiseren zonder aansprakelijkheid, én deel zijn van het systeem dat bestuurt. Dat is een spreidstand. Rechtspersoonlijkheid zou die spanning doorbreken en het overleg realistischer en evenwichtiger maken.”
Begrijpt u de kritiek van vakbonden die zeggen dat ze niet meer uitgenodigd worden door de politiek?
“Natuurlijk, maar men heeft dat ook zelf gezocht. Vakbonden hebben er alles aan gedaan om zichzelf in die positie te plaatsen. Als ze verandering willen, moeten ze met oplossingen komen. Maar die oplossingen zijn niet de zoveelste utopie waarbij het antwoord op alle vragen luidt: meer overheid en meer belastingen. Dat leidt tot georganiseerde verpaupering, en dat wil de overgrote meerderheid van de bevolking niet, zeker niet in Vlaanderen.
We leven in een welvaartsstaatmodel waarin vakbonden deel uitmaken van het systeem. Ze besturen mee en moeten dus ook mee evolueren. In Scandinavië zie je hoe dat kan: daar heerst een consensuscultuur, pragmatisme en een co-existentie tussen kapitalisme en herverdeling. Er is respect voor ondernemerschap én voor sociale bescherming. Hier daarentegen overheerst een conflictcultuur en een antikapitalistische reflex. Elke verandering wordt gezien als een onrechtvaardige achteruitgang, en dat voedt een verontwaardigingscultus. Die polarisatie wordt nog versterkt door de politisering van vakbonden. Ze organiseren verkiezingen, wat hen dwingt tot een permanente ‘schoonheidswedstrijd’ van wie het hardst kan roepen. Dat politieke discours wordt vervolgens binnen bedrijven geïmporteerd, waardoor ook daar een cultuur van conflict ontstaat. Let wel: ‘it takes two to tango’. Om te overleggen en consensus te bouwen heb je ook moed bij de werkgeversorganisaties nodig. Mij hoor je de vakbonden niet met alle zonden van Israël beladen.’’
Kan een oplossing voor de betaalbaarheid van de pensioenen een omschakeling naar het kapitalisatiesysteem zijn?
“Op lange termijn wel. Ik pleit al jaren voor een stevig tweepijlersysteem, waarbij de tweede pijler geen klein krukje is maar een echte steunpilaar. Die tweede pijler moet geïntegreerd worden in het sociaal overleg rond loon- en arbeidsvoorwaarden Pensioenspecialisten zijn het erover eens: een gezonde combinatie van eerste en tweede pijler maakt het systeem robuuster en weerbaarder. Het koppelt pensioenen directer aan werken, economische groei en productiviteit. Het maakt van pensionering een heel positief perspectief voor de sparende werknemer en collectief geeft het een echte investeringspijler voor de economie, die we nu toe ontbreken in ons tijdsgewricht.
Maar vandaag is het vijf na twaalf. De tweede pijler is nauwelijks uitgebouwd. Zelfs als we nu beslissen om ze fors te versterken, duurt het twintig jaar voor ze volwaardig is. Het is dus niet te laat, maar wel rijkelijk laat. En dat is jammer, want het idee van een aanvullend kapitalisatiesysteem bestaat al sinds 1995, nota bene ingevoerd door een socialistische pensioenminister. Nadien is er echter een dogmatisch verzet gekomen van vakbondszijde, en ook werkgevers stonden niet te springen: het betekent immers dat een deel van de loonmassa naar pensioenopbouw gaat, waardoor de kortetermijn-koopkracht minder snel stijgt en er meer druk komt op loononderhandelingen.
Want laten we duidelijk zijn: wat vandaag op tafel ligt is geen besparing, maar een poging om de groei van de uitgaven af te remmen. Door de demografie zullen de pensioenuitgaven sowieso fors stijgen. Als we nu geen correctie doorvoeren, wordt de begrotingssituatie onhoudbaar. Dat heeft gevolgen voor België in de Europese Unie, voor de financiële markten, voor onze rentelasten.
En dat is het bredere punt: pensioenen zijn niet de enige uitdaging. Onze collectieve verantwoordelijkheid is om wat wij van de vorige generatie hebben gekregen, beter door te geven aan de volgende. Dat betekent dat we ook moeten investeren in klimaat, migratie en integratie, defensie, infrastructuur en veiligheid. Al die domeinen kosten geld. Daarom moet er opnieuw een correctie gebeuren, zodat de prioriteiten in de juiste balans komen. Te vaak focust de politiek enkel op de verdelingsvraag – wie krijgt wat? – terwijl de echte vraag is: hoe krijgen we de economische motor van België weer aan het draaien? Dat is de basisvoorwaarde om onze welvaart en solidariteit te behouden.”
Er wordt in het federale begrotingsakkoord weinig gesproken over economische groei, nochtans een essentiële pijler voor het behoud van de welvaartsstaat.
“Het is niet dat men er helemaal niet mee bezig is, maar het krijgt te weinig prioriteit. Neem Vlaanderen: daar staan in het regeerakkoord goede intenties rond innovatie, industrie en vergunningenbeleid. Maar de bredere vraag blijft: waar komt economische groei vandaan? Er bestaat geen knop die je zomaar kan indrukken. Groei vergt basisvoorwaarden en randvoorwaarden.
De basisvoorwaarde is een goed werkende overheid: efficiënt, met kwaliteitsvolle dienstverlening. Daar horen een vlot vergunningsbeleid, minder administratieve complexiteit en een pro-groeifiscaliteit bij. België scoort internationaal zwak op efficiëntie: we krijgen te weinig waar voor ons belastinggeld. Een grote oefening in productiviteit en effectiviteit is dus noodzakelijk.
Daarnaast zijn er de investeringen in energietransitie, defensie, veiligheid en weerbaarheid. Dat vraagt enorme middelen. Omdat publieke middelen schaars zijn, moet de overheid partnerschappen met private investeerders aangaan en een duidelijke strategie ontwikkelen. Dat is industrieel beleid, duur, maar vandaag top of mind in Europa. Toch is het bij ons geen dominante politieke prioriteit.
Een derde pijler is talent. Economische groei komt uit de combinatie van kapitaal en talent. Dat betekent investeren in onderwijs, het beter inzetten van langdurig werklozen en een doordacht immigratiebeleid. België kan hier een voortrekkersrol spelen in Europa, bijvoorbeeld door de interne markt verder uit te bouwen of via initiatieven zoals de Benelux.
Productiviteit is uiteindelijk de kern van alles. Economen hebben daar uitgebreide agenda’s voor opgesteld: onderzoek, innovatie, mobiliteit, infrastructuur. Het ligt allemaal klaar. Maar structurele hervormingen en mobilisatie van middelen blijven uit. Subsidiebeleid, organisatiestructuren, daar moet verandering komen. En het móét gebeuren, want economische groei is de basisvoorwaarde voor het behoud van onze welvaartsstaat.”
Wat vindt u van het begrotingsakkoord van de federale regering?
“Wat nu is ingezet met deze meerjarige begrotingscontrole, daar val ik niet van achterover. Er zijn beslissingen genomen, sommige zijn goed, andere hebben tenminste het voordeel dat er iets gebeurt. Denk aan het beperken van werkloosheidsuitkeringen in de tijd, het afremmen van de pensioengroei, enkele flexibiliteitsmaatregelen. Over elk van die maatregelen kun je discussiëren: zijn ze de juiste, hadden ze beter anders gekund? Maar goed, het is wat het is.
Wat ik vooral mis, naast de groeiambitie, is echte besparing. Ik zie vooral de oude recepten terug: rommelen met de index, sleutelen aan belastingtarieven, rekenen op terugverdieneffecten. Dat is de klassieke Belgische aanmoddercultuur. Mijn gevoel is dat dit niet de laatste begrotingsoefening van deze legislatuur zal zijn. Ik hoop vooral dat de motor van verandering eindelijk aanslaat, want we moeten vooruit. De politieke energie moet naar andere prioriteiten gaan, zoals pensioenhervorming en arbeidsmarktbeleid.
Een pensioenhervorming moet raken aan excessen in pensioenrechten, maar tegelijk betere loopbanen creëren. Het beperken van werkloosheidsuitkeringen in de tijd moet gepaard gaan met nieuwe werkperspectieven voor mensen. Als we dat enkel op papier regelen, levert het geen goede resultaten op. We hadden veel vroeger de grond van het probleem moeten aanpakken, zodat we nu niet met noodmaatregelen zitten.
Kijk naar het hoger onderwijs. Ook daar wordt gesnoeid in de pensioenrechten. Vandaag hebben wij in het hoger onderwijs per docent zowat 40% meer leslast dan in veel buurlanden, terwijl ons inkomensniveau substantieel lager ligt. Dat is voor mij een veel relevantere vraag: hoe maken we van universiteiten echte motoren van creatie, innovatie en inkomensgeneratie, hoe veranderen we het financieringsmodel? Als we dat doen, wordt de koek groter en kunnen we docenten beter betalen. Dat lost het pensioenverhaal zich mee op, want meer inkomen in de toekomst betekent ook meer inkomen vandaag. Dat is de essentie: in België komen we politiek bijna nooit tot de kern van de zaak. We stellen uit, in de hoop dat we het probleem daarmee afstellen. Uiteindelijk worden we ingehaald en moeten we noodmaatregelen nemen.
Dat zie je ook in deze begrotingscorrectie. Ik hoop echt dat we dit patroon kunnen doorbreken en dat de rest van de legislatuur wordt besteed aan een paar echte toekomstprioriteiten.”
Tot slot, welke hoop ziet u voor studenten in de toekomst, wat kunnen zij het meeste bijbrengen aan de samenleving?
“Ik hoop dat jongeren niet te veel zullen lijden onder het negativisme en pessimisme dat in onze samenleving is geslopen. Daarom hoop ik dat jongeren veel ambitie hebben, veel voluntarisme, veel goesting en de wil om dingen positief te veranderen. Dat ze zich niet laten afremmen door de tijdelijke problemen van vandaag, maar de lat hoog durven leggen.
Ik wens hen vooral toe dat ze zich geen zorgen hoeven te maken over pensioenen, oorlog of klimaat. Dat zijn onze verantwoordelijkheden, die wij moeten oplossen. Laat jongeren vooral jong zijn, hun dromen najagen en positief ambitieus blijven. Want de toekomst rust op hun talent. Zij moeten het beter maken, zij moeten het rechthouden.
Dus mijn wens voor jongeren is eenvoudig: koester die kracht, blijf ambitieus en positief, en draag zo bij aan een samenleving die vooruitgaat. Dat is de echte motor van verandering. En dat moet jij dit soort interviews niet meer doen (lacht nvdr)!”

Prof. Marc De Vos (1970°) is stichtend directeur en co-CEO van denktank Itinera, professor Europees en sociaal recht aan UGent en internationaal auteur en columnist. Hij specialiseert zich in Europese Unie, globalisering, arbeidsmarkt en de welvaartsstaat. Met ervaring in academie, consultancy en beleidsdenktanks in Europa en Australië opereert hij op het kruispunt van onderzoek, beleid, economie en samenleving. Hij schrijft voor Trends, l’Echo, Elsevier Weekblad, Table.Media en publiceerde boeken als Grootmacht Europa (2023), Beter is niet genoeg (2020) en Ongelijk maar fair (2015). www.marcdevos.eu