Na zijn eerste honderd dagen als gedelegeerd bestuurder van Voka blikt Frank Beckx vooruit naar het honderdjarig bestaan van de werkgeversorganisatie. Hij schetst de ambities voor de komende jaren, benoemt de pijnpunten in de industrie en schuift concrete oplossingen naar voren.
U bent meer dan 100 dagen gedelegeerd bestuurder van Voka. Wat zijn uw grootste prioriteiten de komende jaren?
Vanaf dag één heb ik gezegd: we moeten opnieuw een echte groeistrategie ontwikkelen. Het debat over economische groei moet terug op tafel. Soms hoor ik: “We hebben toch nog 1% groei, dat is toch niet slecht?” Maar eerlijk: dat is gewoon veel te weinig. Met 1% groei kunnen we onze welvaartsstaat niet gezond houden, onze pensioenen niet betaalbaar houden en niet voldoende investeren in de digitale en duurzame transitie. Laat staan in defensie of in de geopolitieke uitdagingen die eraan komen.
Onze prioriteit is duidelijk: we willen opnieuw een sterk groeiverhaal schrijven. Dat doen we aan de hand van wat ik mijn klavertje vier noem. Eerst en vooral moeten energie en industrie opnieuw hand in hand kunnen gaan. Dat betekent: voldoende en betaalbare energie, én oplossingen voor de huidige congestieproblemen. Daarnaast willen we eindelijk het vergunningenbeleid vlot trekken. Vergunningen moeten sneller, rechtszeker en bestand zijn tegen juridische procedures, zodat projecten niet jarenlang blijven hangen. Ook de arbeidsmarkt blijft een grote uitdaging. Ondanks alle veranderingen blijft ze krap, dus moeten we meer mensen activeren, langdurig zieken sneller opvolgen en beter begeleiden en voldoende binnen- en buitenlands talent aantrekken om het werk gedaan te krijgen. Tot slot moeten we de enorme regeldruk aanpakken. Ondernemers verdrinken vandaag in regels op Europees, Vlaams en federaal niveau. Die administratieve last is een van hun grootste frustraties.
Dat klavertje vier vormt de kern van ons groeiverhaal, en precies daarop willen we de komende jaren volop inzetten.
Hoe wilt u een wervend verhaal rond economische groei creëren ?
We moeten een langetermijnvisie rond economische groei ontwikkelen. Daarom wil ik het komende jaar sterk inzetten op het concreet maken van die groeistrategie waar ik al vaker naar verwees. Wat is onze economische groeistrategie voor Vlaanderen voor de komende tien jaar? Dat is de vraag die we de komende maanden bottom-up willen beantwoorden, samen met ondernemers, via panels en discussies. In september volgend jaar willen we uitpakken met een nieuwe toekomstvisie voor de Vlaamse economie, een echte tienjaarsblik, gegoten in een stevige publicatie.
Dat past ook mooi bij een bijzonder moment: Voka bestaat volgend jaar 100 jaar. In 1926 werd het Vlaams Economisch Verbond (VEV) opgericht door Lieven Gevaert. Dat jubileum is een aanleiding om te vieren, maar vooral om een sterk verhaal te brengen naar ondernemers én naar het brede publiek. Want ik wil vermijden dat we ons discours uitsluitend richten op onze klassieke stakeholders uit de politiek, administraties, leden of partnerorganisaties. We moeten naar buiten komen, naar nieuwe doelgroepen, naar het bredere publiek, ook studenten. Dat wordt voor Voka een duidelijke prioriteit in het komende jaar.
Wat is uw reactie op de onthouding van België en Vlaanderen bij de stemming van het Mercosur-handelsakkoord?
Ik vond dat echt een enorme gemiste kans. Om twee redenen is dat heel jammer. Ten eerste zijn wij een regio en een land dat leeft van internationale handel. We zijn de vijfde exporteur van Europa en staan wereldwijd op plaats vijftien. Dat betekent dat we landen als Vietnam of Brazilië, die veel groter zijn, toch achter ons laten in nominale exportwaarde. Eén op de drie jobs in Vlaanderen hangt samen met internationale handel. Tachtig procent van wat we hier produceren, is bestemd voor export. We zijn dus extreem exportgedreven, logisch voor een kleine open economie. Precies daarom hebben wij altijd te winnen bij handelsakkoorden. De geschiedenis bewijst dat elk handelsakkoord ons meer groei en waarde oplevert dan géén akkoord.
De tweede reden waarom ik dit betreur, heeft te maken met de geopolitieke context. Na Trump en alle handelsspanningen hadden we onszelf de vraag gesteld: wat is ons antwoord? Blijven klagen of kijken wat we zélf kunnen doen? Twee dingen zijn dan essentieel. Eén: nieuwe exportmarkten aanboren. De VS vertegenwoordigen 13% van de wereldhandel. Er blijft dus 87% over waar we kansen kunnen grijpen. Denk aan Zuid-Amerika, Zuidoost-Azië, India… Als we daar handelsakkoorden mee sluiten, kunnen we een deel van de afhankelijkheid van de Amerikaanse markt opvangen. En daarnaast moeten we de Europese interne markt versterken. Dat hebben we helemaal zelf in de hand, onder andere door de vele barrières die vandaag nog bestaan weg te werken.
De industrie in Europa heeft het moeilijk onder andere door de hoge energiekost. Die is voor bedrijven in Europa vier keer duurder dan in de VS. Hoe kan die energiekost gedrukt worden?
Energiebeleid steunt altijd op drie pijlers: beschikbaarheid, betaalbaarheid en duurzaamheid. En net die drie staan vandaag tegelijk onder druk. Beschikbaarheid is geen evidentie meer. Het gaat allang niet enkel om productie, maar ook om het transport van energie. De sterk toegenomen netcongestie in Vlaanderen toont dat heel duidelijk aan. Daarnaast moeten energieprijzen betaalbaar blijven door onder meer een snelle uitvoering van de energienorm, én moeten we blijven inzetten op duurzame energie. Het evenwicht tussen die drie pijlers is cruciaal.
Voor Vlaanderen betekent dat dat we moeten zorgen voor voldoende beschikbare energie in onze toekomstige energiemix. Hernieuwbare energie breekt definitief door: wind, zon en geothermie, die worden efficiënter en goedkoper. Maar tegelijk blijft nucleaire energie belangrijk als een stabiele basis. Dat geldt zowel voor de bestaande centrales als voor de nieuwe technologieën, zoals de kleine modulaire reactoren, de zogenaamde SMR’s. Die technologie is nog in volle ontwikkeling, maar als we daar niet nu al ruimte voor reserveren en voorbereidingen treffen, missen we straks de boot.
Dat is des te belangrijker omdat ons elektriciteitsverbruik de komende jaren spectaculair zal stijgen. We gaan meer verwarmen met warmtepompen, meer elektrisch rijden, en de industrie elektrificeert volop. We hebben dus veel meer elektriciteit nodig, en die moet betrouwbaar én betaalbaar zijn.
Is een gedegen energiepolitiek voeren de enige manier om onze industrie te redden?
De industrie is traditioneel een grote energieverbruiker. Tegelijk is het een sector die al jarenlang zwaar inzet op verduurzaming en energie-efficiëntie. De resultaten liegen er niet om: industriële bedrijven zijn al heel lang bezig met zuiniger produceren met minder CO2-uitstoot. Maar precies omdat energie zo’n belangrijke kost is, is een consistent energiebeleid cruciaal om die industrie hier te verankeren.
Daarnaast heeft de industrie voorspelbaarheid nodig. Ondernemingen investeren voor de lange termijn. Ze moeten kunnen rekenen op vergunningen die standhouden, op rechtszekerheid. Als vergunningen voortdurend worden aangevochten of niet robuust genoeg zijn om juridische procedures te doorstaan, dan creëer je onzekerheid, en dat remt investeringen af.
En dan is er nog de regeldruk. We hebben de voorbije jaren zóveel wetgeving geproduceerd – op Europees niveau en ook in Vlaanderen, dat het voor bedrijven steeds moeilijker wordt om alles toe te passen. De neiging van de politiek om niet alleen langetermijndoelen vast te leggen, maar ook de weg ernaartoe volledig te bepalen, maakt het nog erger.
Ondernemingen moeten zelf de vrijheid krijgen om te bepalen met welke technologie ze die doelstellingen het best bereiken. De overheid moet het doel scherp formuleren, maar niet elke stap willen voorschrijven. Dat is precies waar Europa in de vorige legislatuur toch wat te ver in is gegaan.
U heeft zelf een verleden in de chemiesector. Ziet u nog een toekomst voor de chemiesector in ons land?
Ik hoop het, want de chemie-industrie is echt een fundamentele basis voor heel veel andere sectoren. Je kunt het zien als het begin van een lange waardeketen: van kunststoffen tot voeding, van de automobielsector tot de bouw. De industrie levert aan heel veel andere sectoren essentiële grondstoffen en producten.
Waar het voor mij echt op neerkomt, is dat we die hele keten intact moeten houden. Als je die begint door te knippen en bepaalde schakels wegvallen, dan verlies je uiteindelijk niet alleen de basisproducten, maar ook het eindproduct. Je zou dan moeten invoeren wat je zelf niet meer maakt, van batterijen tot lithium, en misschien uiteindelijk zelfs hele auto’s die dan allemaal uit China komen.
Daarom moeten we heel voorzichtig zijn. Een sterke basisindustrie is van cruciaal belang voor het hele economische weefsel. Tienduizenden kleine en familiale ondernemingen zijn daarvan afhankelijk. Denken dat we zonder industrie kunnen, zou een enorme verarming betekenen van ons economisch landschap en onze welvaart.
Natuurlijk verwacht ik ook een consolidatie in de industrie. Er zullen bedrijven sluiten, daar ontkomen we niet aan. Maar dan is de vraag: waar in Europa gaat die productie dan plaatsvinden? En ik denk dat wij, met onze ligging, expertise en clustering, heel goede kaarten hebben om juist hier in Vlaanderen die fabrieken en productiecentra te houden en zelfs verder uit te bouwen.
Welke industrieën acht u prioritair het komende decennium?
Ik denk dat we in Vlaanderen keuzes kunnen maken daarin. We zijn niet groot, dus het is essentieel om te focussen op waar we wérkelijk het verschil kunnen maken, ook internationaal. Daarom praat ik graag over ecosystemen, want dat is breder dan een klassieke sectorbenadering. Het gaat om netwerken van bedrijven, kennisinstellingen, en andere partners die samen een sterke economische kracht vormen.
Een mooi voorbeeld is de farmaceutische en biotechsector. Daar zijn we vandaag wereldspeler op bijna alle vlakken. We hebben sterk onderzoek, topuniversiteiten, intense samenwerking met bedrijven, én instituten zoals het Vlaams Instituut voor Biotechnologie dat een internationale rol speelt. Kijk maar naar Covid: het was niet toevallig dat Pfizer Vlaanderen koos als grote hub voor de productie van vaccins. Dat zijn enorme troeven.
We hebben ook andere sterke ecosystemen, bijvoorbeeld rond energie-intensieve bedrijven en de agrovoeding. Daarnaast zie ik een heel groot groeipotentieel in digitale ecosystemen. De digitale sector is cruciaal, want we zullen in alle KMO’s en bedrijven digitale toepassingen moeten integreren.
Productiviteit is hierbij het sleutelwoord. Willen we productiever worden, dan kan dat via twee wegen: ofwel krijgen we meer mensen aan het werk ofwel zorgen we voor een hogere output per gewerkt uur. En dat is precies waar digitale technologieën, zoals AI, een enorme rol kunnen spelen.
Dus ja, we moeten keuzes durven maken. We kunnen niet alles tegelijk doen in Vlaanderen en al zeker niet alles van nul opbouwen. We moeten focussen op onze economische kracht, op waar we al sterk gespecialiseerd in zijn en waar het potentieel voor groei echt groot is. Op die basis kunnen we een strategisch groeiverhaal schrijven dat Vlaanderen sterker maakt in de toekomst.
Door regeldruk en administratieve lasten verhuizen bedrijven naar landen buiten de EU. Wat zijn oplossingen om die administratieve lasten te verminderen?
Europa heeft doorheen de jaren het voorzorgsprincipe voorrang gegeven op het innovatieprincipe als het gaat om innovatie en regelgeving. We hebben hier de neiging om meteen te gaan reguleren nog vóór iets écht opkomt of zich ontwikkelt. Zodra er een nieuwe technologie of innovatie verschijnt, zetten we er direct wetgeving tegenover. Dat zagen we al bij biotechnologie, bij genetisch gemodificeerde organismen of in discussies rond schaliegas. Europa wil alles meteen regelen, vaak vanuit het voorzorgsprincipe.
Dat gebeurt ook bij nieuwe technologieën zoals artificiële intelligentie. Terwijl we hier slimme mensen en sterke universiteiten hebben, en ook een aantal veelbelovende start-ups, missen we de grote ‘unicorns’ die echt doorbreken en wereldspelers worden zoals in de VS. Maar dat komt niet omdat we minder slim zijn. Integendeel, we hebben veel talent. Het probleem zit hem vooral in de manier waarop we met regelgeving omgaan en in de beperkte kapitaalmarkten. Europese bedrijven die echt willen opschalen en internationaal doorbreken, moeten vaak naar de VS om voldoende kapitaal te vinden. Daardoor blijft groei hier stokken.
Dan Wang zei in De Tijd: ‘China is een land van ingenieurs, Amerika van advocaten en Europa?’ Waar vindt u dat Europa om bekend moet staan?
Ik denk dat het vooral draait om ondernemerschap en de ondernemerscultuur. Op alle niveaus moeten we terug naar een cultuur waarin ondernemers, ingenieurs en innovators de ruimte krijgen om te experimenteren, door te breken en vooruit te gaan.
Maar we zijn een erg gereguleerde samenleving geworden. Het vergunningenbeleid in Vlaanderen is daar een goed voorbeeld van: er is zo veel wetgeving dat het vaak een zoektocht is om ergens een project door te krijgen. Actiegroepen hebben een grote invloed en kunnen, binnen het wettelijk kader, vrijwel altijd wel iets vinden om projecten te blokkeren. Dat is natuurlijk hun recht, maar het probleem is dat het grotere maatschappelijke en economische belang vaak niet voldoende wordt meegewogen. Iedereen kan een project laten stranden, maar niemand kijkt nog echt naar het totaalplaatje. We zijn gevangen geraakt in die juridisering en bureaucratie, en daar moeten we met z’n allen vanaf.
Naar welk land kijkt u op qua economie?
Zwitserland is een interessant voorbeeld. Qua grootte, taalkundige verscheidenheid en staatsstructuur lijkt het ook op België. Zwitserland zit niet in de Europese Unie, dat is een verschil, maar ik denk dat we ook naar een aantal Scandinavische landen kunnen kijken zoals Denemarken, Finland en Zweden. Zij combineren een relatief hoog overheidsbeslag met een zeer hoge kwaliteit van dienstverlening.
Bij ons zien we ook een hoog overheidsbeslag, maar de kwaliteit op verschillende domeinen is matig tot ondermaats. Dat is op lange termijn niet houdbaar. Je kunt kiezen voor een sterke organiserende staat die topkwaliteit levert, of je kunt zeggen: “We trekken ons terug, geven meer ruimte aan het vrije initiatief.” Dat laatste is meer het Amerikaanse model, met lagere belastingen, maar dan moet je ook meer zelf je eigen boontjes doppen en verantwoordelijkheid nemen.
Ik denk dat wij onze plaats ergens tussenin moeten zoeken. Het Amerikaanse model overnemen is ondenkbaar en tegelijk onwenselijk, maar we moeten wel zorgen voor een performante economie waarin ondernemerschap centraal staat, een overheid die haar kerntaken goed uitvoert, en tegelijk kritisch durven zijn over wat we wel en niet reguleren. Sommige zaken kunnen beter aan het vrije initiatief worden overgelaten.
Dat is een debat dat vroeger moeilijk te voeren was, maar nu komt het steeds meer terug omdat we door overregulering kansen missen en investeringen mislopen. Daarom is Zwitserland, en ook die Scandinavische landen, een interessant model om ons mee te vergelijken.
Tot slot, welke raad heeft u voor studenten ?
Aan studenten zou ik willen meegeven: kies vooral iets waar je goed in bent, waar je gemotiveerd voor bent, en waar je ook echt interesse in hebt. Mijn advies aan studenten is ook: wees open en nieuwsgierig. Verruim je blik, doe naast je studies ook andere dingen. Kom in contact met de politiek, met ondernemers, en met verschillende lagen van de samenleving. Dat is enorm belangrijk.

Frank Beckx (°1980) is sinds 1 september 2025 gedelegeerd bestuurder van werkgeversorganisatie Voka. Daarvoor was hij sinds 2021 directeur van het Kennis- en Lobbycentrum van Voka. Frank Beckx is ook voorzitter van de Raad van Bestuur van Technopolis.