donderdag 5 maart, 2026

Jonathan Holslag: “Vrijheid zonder verantwoordelijkheid is anarchie”

Jonathan Holslag. Foto © Wouter Maeckelberghe

Ondanks zijn burgemeesterschap in Tienen blijft professor internationale politiek Jonathan Holslag gebeten door de geopolitiek. In dit interview waarschuwt hij dat macht niet alleen draait om wapens en economie, maar evenzeer om morele kracht en verantwoordelijkheidszin.


 

U schreef een artikel in De Morgen over morele kracht en het belang van zachte deugdzaamheid, nochtans staat u gekend als een realpoliticus.

‘Voor een realist is macht allesomvattend. Macht heeft een harde kern: militaire slagkracht, economische macht, technologie en industrie. Maar om dat allemaal te bouwen en te onderhouden, moeten burgers zich verantwoordelijk voelen en bijdragen. Dat kan financieel zijn via belastingen, maar ook door betrokkenheid en door te weten wat we verdedigen en wat er op het spel staat.

Wat je vandaag vaak ziet in rijke westerse landen, is dat we wel meer uitgeven aan defensie, maar dat burgers weinig vertrouwen hebben in de staat. Niet alleen in de overheid, maar ook in het idee van de staat zelf. Ze vragen zich af: waarom is die staat nog belangrijk? En verwachten vooral permissiviteit, vrijheid om te doen wat ze willen. Als je als staat je macht wil behouden, moet je die harde component in stand houden. Maar minstens zo belangrijk is dat burgers weten wat hen bindt: identiteit en kernwaarden. En dat ze bereid zijn die uit te dragen. Dat kan via belastingen, maar ook door ondernemerschap, door gewoon je best te doen en door te streven naar excellentie.’

 

Kan burgerzin pas goed functioneren als de samenleving een doel heeft ?

‘Ik denk het wel. Lotsverbondenheid is essentieel om de gelederen te sluiten en samen koers te houden. Als er geen gezamenlijke doelen meer zijn, valt een samenleving uiteen. Dat zie je vandaag: door onzekerheid kiezen mensen niet voor solidariteit, maar voor een individualistische overlevingsmodus. Dat is nefast. In tijden van crisis is het voor het voortbestaan van de staat cruciaal dat iedereen verantwoordelijkheid neemt.

Ons probleem met defensie is daarom niet in de eerste plaats financieel, maar maatschappelijk. Het gaat om mensen die niet meer willen vechten voor toekomst, waarden, identiteit, veiligheid en soevereiniteit. Het probleem ligt in een democratie die decadent is geworden: een exces aan vrijheid in een klimaat van welvaart leidt tot een heerschappij van de meute, waarin iedereen zijn eigen gelijk wil halen en niemand het grotere geheel ziet. Dat is een catastrofe. Rijke samenlevingen hebben het vaak moeilijk om hun rijkdom te behouden. Mensen zijn boos op Brussel, op migranten, op hun regering. Soms terecht, want integratie hapert, de EU werkt niet optimaal, de federale regering ook niet. Maar ondanks die boosheid moet er verantwoordelijkheidszin zijn, de wil om in je omgeving en daarbuiten een positieve omwenteling te maken.’

 

Is verantwoordelijkheidszin het belangrijkste zodat de samenleving versterkt kan worden?

‘Verantwoordelijkheidszin is inderdaad het allerbelangrijkste. De toekomst zal steeds meer bepaald worden door een wereldpolitiek waarin twee imperia de hoofdrol spelen: China en de Verenigde Staten. Een oud en een nieuw rijk, of een nieuw rijk dat eigenlijk een oud rijk opnieuw tot leven brengt. Tussen die twee grootmachten ligt een hele zone van onzekerheid: Afrika als krachtenveld, het Midden-Oosten en Europa als groot vraagteken.

In dat tussengebied zullen vooral de strijdersstaten het verschil maken. Dat zijn staten die een goed evenwicht vinden tussen vrijheid en verantwoordelijkheid, tussen maatschappelijke cohesie en economische dynamiek. Geen staatskapitalisme, maar wel een vorm van vrijheid die altijd in functie staat van een hoger goed.

Vrijheid zonder moraliteit en deugdzaamheid leidt tot anarchie. Daarom moeten we terug naar een vorm van liberalisme zoals het in de zeventiende eeuw werd gedefinieerd: een combinatie van verantwoordelijkheid, emancipatie en openheid. Alleen zo kan een samenleving sterk blijven en haar plaats opeisen in die nieuwe wereldorde.’

 

Welke staat ziet u als leidend voorbeeld van een strijdersstaat?

‘Polen springt er voor mij uit. Het land zet volop in op de interne Europese markt en het Europese project, maar verdedigt tegelijk heel uitgekiend zijn nationale belangen. Het combineert veelzijdig ondernemerschap met sterke cohesie rond een duidelijke identiteit en waarden. Bovendien is Polen open naar migratie: Moldaviërs, Oekraïners en Wit-Russen komen er werken, maar altijd onder heldere voorwaarden.

Kazachstan is een ander voorbeeld. Het profiteert van fossiele brandstoffen, maar het nieuwe leiderschap probeert het land ook economisch te hervormen. Singapore hoort zeker in dat rijtje, en Turkije toont een sterk bewustzijn van nationale identiteit, al kampt het economisch met grote gebreken.

Het dynamisme verschuift duidelijk naar Centraal- en Oost-Europa. Die staten zullen zich steeds autonomer positioneren: ze blijven in de EU, onderhouden hun relaties met de VS, maar kijken tegelijk naar het Midden-Oosten en China om zaken te doen. Onder die dunne laag van Europese Unie zie je een terugkeer naar machtspolitiek zoals voor de Tweede Wereldoorlog. Europa had de kans om een echte federatie te worden, maar die kans is gemist. Nu zitten we in een impasse: geen sterke unie, maar ook geen volwaardige soevereiniteit van de staten. Geleidelijk zullen we evolueren naar een Europa van staten, in een context waarin etatisme opnieuw belangrijker wordt. Rondom Europa zie je een mix van falende staten en strijdersstaten ontstaan. Europa zal daarin meegezogen worden. Dat is de richting waarin het machtscentrum zich verplaatst.’

 

Welke strategische partners zullen het verschil maken om absolute dominantie te claimen voor de VS of China?

‘Dat is moeilijk precies te zeggen. Wat je wel ziet, is dat zowel China als de VS steeds meer een beleid van ‘nabuur eerst’ gaan voeren. China probeert vooral de landen in de eigen regio in een invloedsfeer te trekken, een quasi-imperium. Rondom China vind je eigenlijk alles wat ze nodig hebben: technologie, grondstoffen, water, landbouwgebied. Daardoor zie je dat China zich minder richt op regio’s die vroeger belangrijk waren. Afrika laten ze wat los, Latijns-Amerika is op korte termijn nog relevant voor soja, maar op lange termijn interesseert het hen nauwelijks. Hun strategie is hemisferisch: zo dicht mogelijk bij huis voorzien in hun behoeften en tegelijk minder kwetsbaar zijn, want nu moeten ze nog de halve wereld rondvaren en dat maakt hun bevoorrading kwetsbaar.

De Amerikanen volgen hetzelfde instinct. Ook de VS  zal zich hemisferisch  concentreren. Dat verklaart hun harde houding tegenover Venezuela en hun interesse in Groenland. Ze kunnen een groot deel van hun grondstoffen uit hun eigen hemisfeer halen en gebruiken de Atlantische en de Stille Oceaan als buffer. Richting Europa zie je dat ze proberen het continent te ontwikkelen als een soort wingewest voor grote bedrijven, technologie en datacenters. Het is typisch voor imperia: de Amerikanen grijpen terug naar een soort Monroe-doctrine, terwijl de Chinezen hun eigen versie van regionale dominantie uitbouwen.’

 

Moet Europa inzetten op samenwerking of op eigen kracht verdergaan?

‘In de wereldpolitiek is samenwerking een middel, geen doel. Het doel blijft nationale macht. Het feit dat we onze toekomst niet meer kunnen bedenken zonder meteen te vragen met wie we moeten samenwerken, is tekenend voor de situatie waarin we ons bevinden.

Europa moet eerst en vooral zijn zelfredzaamheid en soevereiniteit versterken. We mogen ons niet verder degraderen tot een de facto technologiekolonie van de Chinezen en Amerikanen, maar dat is precies wat nu volop aan de gang is. Kijk naar België: we gedragen ons op dat vlak erger dan de inboorlingen die Vasco da Gama in de vijftiende eeuw tegenkwam. We vragen zelfs geen concessies meer wanneer Google hier een datacentrum wil bouwen. Dat is vernederend voor ons land en bevestigt de bedelstafpolitiek die in België al veel te lang bestaat.’

 

Is dat uit schrik of een gebrek aan visie?

‘We hebben geen ruggengraat meer. België is een land zonder ruggengraat en we zijn een economisch bordeel geworden. We weten niet meer waar we voor staan, wat ons bindt. Ons ondernemerschap wordt nauwelijks nog ernstig genomen. Industriepolitiek bestaat amper: alles wat interessant is, verkopen we zo snel mogelijk aan grof geld, Amerikanen of Chinezen.

België zet de deur voor alles en iedereen open en kijkt dan verbaasd toe dat we het niet meer kunnen controleren. Drugs stromen binnen via de luchthavens, namaak en fentanyl uit China, massamigratie die we niet meer in toom houden. We zijn afgezakt tot het niveau van een goedkoop economisch bordeel en zetten alles in de uitverkoop wat nog enigszins waarde heeft.’

 

Hoe kan dat tij gestopt worden?

‘Als het al gestopt kan worden, dan alleen door leiders die zeggen waar het op staat. Zonder steun voor onze eigen ondernemingen en zonder een echte industriepolitiek loopt het verkeerd af. België dreigt volledig weggemarginaliseerd te worden uit de waardeketens die ertoe doen. We verliezen onze soevereiniteit door enorme economische afhankelijkheden, en kennisintensieve sectoren verdwijnen. Dan blijft er naast de publieke sector nauwelijks nog iets overeind.’

 

Ziet u toch nog enige positieve zaken?

‘Ja, toch wel. In de huidige regering zijn er mensen die het probleem echt inzien. Positief is dat er nu meer geld naar defensie gaat. Maar we hebben nog altijd geen industriepolitiek die naam waardig is, en op Europees niveau wegen we nauwelijks nog mee.

Wat echt nodig is, is dat de activiteitsgraad in België omhoog gaat, zeker in Brussel en Wallonië. We zullen een interne devaluatie moeten doorvoeren: de sociale zekerheid op dieet zetten, mensen opnieuw harder laten werken omdat onze productiviteit afneemt, en meer laten sparen. Dat vraagt om een politiek van soberheid, hoe moeilijk dat ook is. En we moeten het accent verschuiven: weg van pro-consumptie, naar meer pro-investeringen en pro-industrie.’

 

En daar ligt dan ook de verantwoordelijkheid van regeringen?

‘Absoluut. Regeringen moeten mensen durven aansporen om meer te beleggen, zoals in Amerika, en tegelijk zorgen dat er meer geld komt. Dat kan op twee manieren: via belastingen, waarmee je publieke infrastructuur versterkt: energie, wegen, havens, luchthavens of via de vrije markt. Voor beide modellen valt iets te zeggen, maar het doel moet scherp gesteld worden.

Het probleem is dat mensen die bereidheid niet meer hebben. Op lokaal niveau zie je dat heel duidelijk. Ik moet belastingen verhogen om wegen en infrastructuur in een deftige staat te houden, en dat is een hels gevecht. Gezinnen hebben het moeilijk, dus een paar honderd euro extra per jaar is veel. Tegelijk geven we als Belgen netto 9 miljard dollar per jaar uit aan vakanties in het buitenland. Alleen België, 9 miljard! Daar kan dus op bespaard worden.

Ik weet dat dat protectionistisch klinkt, maar als we geen rem zetten op wat naar buiten vloeit, moeten we minstens de ambitie hebben om evenveel geld te verdienen aan toerisme in eigen land als we uitgeven in Italië of Frankrijk. Dat zijn keuzes die gemaakt moeten worden. Meer aankopen bij lokale bedrijven, meer investeren in eigen markt. Want vandaag worden bijna alle poorten tot onze markt gecontroleerd door buitenlandse spelers. Dat is de realiteit.’

 

Tot slot, wat wilt u als burgemeester bereiken met Tienen?

‘Voor mij gaat het om burgers die opnieuw investeren in de fundamenten van de stad: infrastructuur, netheid, veiligheid en maatschappelijke verantwoordelijkheid. Dat vind ik ontzettend belangrijk. Daarom heb ik gemeenschapswachters ingezet om te handhaven op de netheid van de voetpaden en effectief GAS-boetes uit te schrijven wanneer die niet onderhouden worden. Het verhaal van rechten én plichten is cruciaal.’

 

 Jonathan Holslag (1981°) is professor internationale politiek aan de Vrije Universiteit Brussel, Chinakenner en auteur: Van muur tot muur (2021), De Nieuwe Zijderoute (2019). Holslag is sinds 2024 burgemeester van Tienen. Daarnaast schrijft professor Holslag wekelijks een column in De Morgen.

 

 

 

author avatar
Toulouse Clemens
Toulouse Clemens (°2004) is eerstejaars masterstudent rechten aan de Universiteit Gent en hoofdredacteur van Den Borluut, waar hij zich inzet op interviews en inhoudelijke verdieping. Gedreven door een brede interesse in politiek, economie en geschiedenis, zoekt Toulouse actief naar raakvlakken tussen recht en samenleving. In 2024 nam hij deel aan het Vlaams Jeugdparlement, waar hij zijn stem liet horen in het debat over de toekomst van Vlaanderen.
In dit artikel

Neem contact met ons op

Deel dit artikel