Het ontstaan van de taalgrens
Op 8 november 1962, één jaar na de talentellingen, werd de taalgrens vastgelegd in België. Daarmee ontstonden gemeenten met taalfaciliteiten, maar ook een spanningsveld tussen twee basisbeginselen. Zowel het territorialiteitsbeginsel als het personaliteitsbeginsel kwam onmiddellijk onder druk te staan. In Vlaanderen is Nederlands de bestuurstaal. Wat ooit bedoeld was als tijdelijke integratiemaatregel, wordt vandaag steeds frequenter opgeëist als verworven recht. Hierdoor wordt het al fragiele Belgische compromis verder onder druk gezet en ontstaat politieke onrust.
Uitleg taalfaciliteiten
Het contrast is opvallend: Vlaanderen telt 12 faciliteitengemeenten voor het Frans, Wallonië amper 4 voor het Nederlands. Zo’n faciliteiten zijn excepties op een officieel eentalige regio en worden gedefinieerd als “speciale wettelijke taalregelingen voor anderstalige minderheden”. Opvallend is dat in Wallonië dus maar enkele gemeenten faciliteiten kennen. Terwijl in Vlaanderen door Franstaligen hardnekkig wordt vastgehouden aan het behoud van de taalfaciliteiten, blijkt in de praktijk dat weinig Franstaligen echt gemotiveerd zijn om het Nederlands machtig te worden. Ondertussen wordt de Nederlandstalige minderheid in Wallonië grotendeels aan haar lot overgelaten.
Historiek en scheeftrekking
Vlaanderen is decennialang taalhoffelijk geweest. Structurele toegevingen waren eerder regel dan uitzondering. Reeds in 1873 werden ministeriële officieren en magistraten in de Vlaamse provincies verplicht recht te spreken in het Nederlands, tenzij de beklaagde expliciet voor het Frans koos. In 1878 moesten berichten van de centrale besturen aan de inwoners van Vlaamse steden Nederlandstalig zijn, al konden de lokale besturen ze nog steeds in het Frans ontvangen indien gewenst. Nagenoeg een halve eeuw later in 1932 werd het Frans als onderwijstaal in Vlaanderen verboden, voor de universiteiten was het nog wachten tot eind jaren 60 . Toch bleven uitzonderingen bestaan: Franstalige kinderen konden in de basisschool terecht in transmutatieklassen, waar tijdelijk onderwijs in de moedertaal mogelijk was om de overgang naar het Nederlandstalig secundair onderwijs te vereenvoudigen. Deze toegevingen golden uitsluitend in Vlaanderen en waren nooit wederkerig. Zo hielden de Franstaligen hun uitgebreidere taalrechten in stand, zonder gelijkaardige tegemoetkomingen voor Nederlandstaligen.
Nederlands leren
Schoolcijfers uit 2017-2018 in de Vlaamse Rand tonen een zorgwekkend beeld. Slechts 57% van de leerlingen in het Nederlandstalig basisonderwijs spreekt thuis Nederlands, ten opzichte van 83% in de rest van Vlaanderen. In faciliteitengemeenten is het nog schrijnender: daar zakt het aandeel naar 37,8%, met als absoluut laagtepunt Drogenbos waar amper 23,7% Nederlands als thuistaal heeft. Deze cijfers tonen aan dat integratie allesbehalve vanzelfsprekend is. Wanneer kinderen thuis nauwelijks Nederlands spreken, start een achterstand al vroeg. Zonder sterke taalinbedding ontstaan gemeenschappen die naast elkaar leven en verloopt verschuiving op de maatschappelijke ladder moeizaam. Wie beweert dat faciliteiten integratie bevorderen, negeert deze realiteit. In plaats van aan te sporen tot taalwerving, creëren faciliteiten een blijvende uitzonderingsstatus. Faciliteiten versterken de taalverschuiving.
Verfransing en domino-effect
Telkens wanneer de afschaffing van taalfaciliteiten opnieuw ter sprake komt, ontstaan er politieke spanningen, rechtszaken en conflicten tussen lokale besturen en de federale overheid. Politieke rust is er sporadisch, wat de geloofwaardigheid van lokale besturen ondermijnt en leidt tot wantrouwen bij de kiezer. Beslissingen raken geblokkeerd of lopen ernstige vertragingen op omdat dossiers in de praktijk dubbel moeten worden verwerkt. Dat kost tijd én geld, waardoor de burger wederom de rekening betaalt van een oneerlijk systeem. Faciliteiten worden bovendien ingezet als politiek middel om tweetaligheid af te dwingen en druk te zetten op de taalgrens. Ze fungeren zo als motor van een geleidelijke taalverschuiving en een uitbreiding van het Franssprekend gebied. Dit gevaarlijk sneeuwbaleffect brengt de stabiliteit van het huidig staatsmodel in gevaar. Er zijn dringend duidelijke communautaire beslissingen nodig om opnieuw bestuurlijke rust en coherent beleid mogelijk te maken.
Financieel argument
De Vlaming draagt al langer dan vandaag de financiële gevolgen van de faciliteiten. Zoals eerder aangehaald werd Franstalig basisonderwijs toegestaan in de randgemeenten rond Brussel. Eind jaren 90 ging het om een enorm bedrag van 220 miljoen Belgische Frank, omgerekend zo’n 5,45 miljoen euro per jaar, voor het onderhoud van slechts 2700 Franstalige leerlingen. Vandaag ligt dit bedrag echter nog hoger en betaalt Vlaanderen 18 miljoen euro per jaar voor onderwijs in de Vlaamse Rand. Dat aanzienlijk bedrag is maar één van de vele voorbeelden van financiering van Franstalige voordelen ten laste van de Vlaamse Gemeenschap.
Bestuurlijke gevolgen
De Vlaamse regering stimuleert gemeentefusies en koppelt daar financiële bonussen aan. Fusies zijn echter verboden voor steden met taalfaciliteiten. Nochtans zou voor vele steden met taalfaciliteiten deze bonus een mooie ondersteuning bieden voor het wegwerken van eventuele schulden die door diezelfde faciliteiten veroorzaakt worden. Faciliteiten saboteren zo een modernisering van de Vlaamse steden en zelfs Vlaanderen in zijn geheel. Met de afschaffing van taalfaciliteiten wordt deze blokkering van efficiënt bestuur en Vlaamse hervormingen tenietgedaan.
Territorialiteit als kern
Het permanent maken van faciliteiten – hetgeen vele Franstaligen in deze gemeenten nastreven – betekent een stap achteruit voor Vlaamse autonomie. Het territorialiteitsbeginsel zou verder uitgehold worden en het delicate Belgisch evenwicht zou worden aangetast. Dat beginsel vormt nochtans de kern van het staatsmodel. Na een langdurige juridische discussie kwam de Raad van State met een politiek gevoelige oplossing: wie Franse documenten wil in Vlaamse faciliteitengemeenten, moet om de 4 jaar opnieuw een aanvraag indienen. Dat zulke complexe constructies vereist zijn, toont aan dat de faciliteiten geen evidentie zijn en blijvende spanningen veroorzaken.
Internationaal gevaar
Ook op Europees niveau blijft het item gevoelig. Via de Framework Convention for the Protection of National Minorities loopt Vlaanderen het risico dat Franstaligen in Vlaamse steden als nationale minderheid worden erkend. Dat zou hun rechten beduidend kunnen uitbreiden, verder dan de Belgische staat had gewild. België ondertekende namelijk de conventie maar ratificeerde ze nooit, exact om dat evenwicht niet te verstoren. Als zelfs de federale staat al impliciet dit risico erkent, is dat opnieuw een overduidelijke waarschuwing voor Vlaanderen om het territorialiteitsbeginsel te blijven bewaken.
Slot
Wie in Vlaanderen woont, moet Nederlands als collectieve taal respecteren. Faciliteiten mogen geen middel worden om Vlaanderen stap voor stap te verfransen. Ze waren bedoeld als overgangsmaatregel, niet als permanent recht. George Orwell schreef in Animal Farm: “All animals are equal, but some animals are more equal than others.” Die wrange constatering lijkt vandaag pijnlijk actueel wanneer Franstaligen in Vlaamse faciliteitengemeenten aanspraak maken op bijkomende rechten die Nederlandstaligen in Wallonië nooit krijgen. Gelijkheid kan geen eenrichtingsverkeer zijn.
Foto © Henri Dufour
