Over een kleine maand starten de examens in het hoger onderwijs. Het sociale leven valt stil en we sluiten ons op om de cursus, die we veel te lang genegeerd hebben, in ons hoofd te proppen. Pintjes maken plaats voor koffie en persoonlijke hygiëne wordt bijzaak. Toch geldt dat cliché niet voor iedereen: een derde van de studenten combineert de blok met een job. Voor een steeds groter wordend deel is dat niet omdat ze een nieuwe iPhone willen of omdat hun ouders het niet kunnen betalen, maar omdat die ouders er bewust en principieel voor kiezen om hun kinderen de studie zelf te laten financieren.
Hoewel een bevraging van Randstad stelt dat 28% van de studenten moet werken om de studies te betalen, valt dat cijfer moeilijk te rijmen met de werkelijkheid. Dat bijna een derde van de Vlamingen financieel aan de grond zit, lijkt sterk. Steeds vaker merk ik dat ouders er simpelweg bewust voor kiezen om de factuur door te schuiven naar hun kinderen. Ze noemen het “verantwoordelijkheidszin” of “financieel besef” – een verleidelijke redenering wanneer het studentenstatuut toelaat om bijna onbelast en onbeperkt te werken – maar in de praktijk oogt het vooral kil en egoïstisch.
En dat terwijl de studententijd net een onbetaalbare fase in je leven is. Het is de periode bij uitstek om op je bek te gaan en te leren navigeren in een soort heerlijk, onduidelijk anarchisme. Waar je als jongere echt van groeit, is niet alleen van klanten bedienen of rekken vullen in de supermarkt, maar ook van sociaal engagement. Het gaat over opkomen voor wat je belangrijk vindt, of dat nu strijden is voor goedkopere spaghetti in De Brug of je smijten in het praesidium om mensen samen te brengen. Over leiding staan in de jeugdbeweging en herinneringen smeden waar commerciële opvang in de verste verte niet aan kan tippen. Dat is de echte vorming, met vriendschappen voor het leven tot gevolg. Maar dat engagement is het eerste dat sneuvelt als er gewerkt moet worden om het inschrijvingsgeld te betalen.
Vele studenten tikken de grens van 650 werkuren per jaar aan. Zet dat af tegen het gemiddelde van 1500 uren van een voltijdse baan en je beseft welke dubbele shift deze jongeren draaien. Sinds corona is het aantal gewerkte uren verdubbeld, een trend die zich onverminderd voortzet. De prijs die we daarvoor betalen is hoog. We hebben de traagste studenten van Europa; nog geen derde haalt zijn diploma binnen de termijn. En net nu maakt minister Demir met nieuwe besparingen de steunvoorwaarden nog afhankelijker van die studieduur.
Natuurlijk is voor velen werken geen keuze. Er zijn studenten die zelfs met een beurs niet rondkomen of die onterecht uit de boot vallen voor steun. Alsmaar vaker zie ik ouders die het wel breed hebben, maar principieel weigeren bij te dragen. Nochtans is die financiële steun van de ouders geen gunst, maar een wettelijke plicht om in te staan voor de opleiding en de ontplooiing van hun kinderen. Ze genieten daarvoor van belastingvoordelen en het Groeipakket. Hun kinderen belanden in een administratief niemandsland: op papier zijn hun ouders ’te rijk’ voor een studiebeurs, maar in de praktijk staan ze er alleen voor. En wat is dan de optie? Wie gaat zijn eigen ouders dagvaarden om die onderhoudsplicht af te dwingen, terwijl de maatschappij je zachtjes richting die studentenjob duwt?
Een studententijd die gereduceerd wordt tot een race tussen de aula en de werkvloer, is een grote vergissing. We zijn een generatie aan het opbranden nog voor hun carrière goed en wel begonnen is. Door het romantiseren van de ‘werkstudent’ ontnemen we de ademruimte om zich te ontwikkelen tot geëngageerde burgers en breken we het sociale weefsel af. Het is een keuze die we als maatschappij maken, maar wel één met een prijskaartje. Kom vooral binnen enkele jaren dus niet klagen dat de nieuwe generatie eenzaam, niet weerbaar of onvoldoende gedreven is: de mooiste tijd van ‘t leven werd hun ontzegd.