Een aantal jaren geleden had Dirk Verhofstadt net zijn boek “Dagboek 1933: Het gevaar van extreemrechts” gepubliceerd, en hij deed de ronde langs de universiteiten om zijn boek te promoten, inclusief aan de UGent. Een vriend nodigde mij uit om een zo’n lezing bij te wonen, wat ik met plezier aanvaardde. Na de lezing mocht het publiek ook vragen stellen. Op een bepaald moment vroeg iemand waarom mensen zoals Verhofstadt niet in debat gaan met controversiële figuren. Verhofstadt begon toen te spreken over waarom het een slecht idee is om in gesprek te gaan met figuren zoals Tom Van Grieken; zo normaliseer je extreemrechtse figuren immers, en legitimeer je hun standpunten. Hij trok een parallel met de opkomst van de nazi’s, en de manier waarop meer gematigde conservatieven, in een poging om Hitler en zijn toekomstige plannen te controleren, hem een platform gaven.
Ik weet nog dat dit mij uitermate frustreerde. Wie, behalve de meest geleerden van de maatschappij, de academici, de experten, is anders geschikt om de claims van de extremisten en complottheoretici te ontkrachten? Legitimatie voorkomen zeg je? Maar de nazi’s in 1933 waren al gelegitimeerd als grootste partijen van hun land. Ze hebben al een platform. Kan je de schuld bij de gemiddelde kiezer leggen? Ze stemmen immers met hun buikgevoel dat geïnformeerd is door wat ze horen. En uiteindelijk horen ze het getier van de extremist wel, en de stilte van de trotse academicus niet.
Zo’n ingesteldheid is echter niet zeldzaam binnen de academische wereld. Veel academici zijn niet geïnteresseerd in het publieke leven. Bovendien lijken hun retorische capaciteiten niet genoeg gescherpt om het te kunnen opnemen tegen een beroepspoliticus of demagoog die hierin geoefend is. Het is dus geen wonder dat veel van de meest geschikte academici zich schuchter opstellen tegenover demagogen – en terecht, want ze zouden het brede publiek nog meer vervreemden met hun jargon, koude uitstraling etc.
Dit is een grote zonde naar mijn mening. Er hoort volgens mij een conversatie gehouden te worden over de verplichting van media en retorische training bij topexperten. Diezelfde experten klagen over het probleem van mis- en desinformatie, maar schuwen zelf aan effectieve retoriek. We leven nu eenmaal in een wereld van massacommunicatie; de prijs die we horen te betalen voor de vrije meningsuiting die daaruit volgt is dat de geleerden het kaf van het koren kunnen onderscheiden, en dit effectief aan een breed publiek kunnen communiceren, al dan niet via debat. Het is naar mijn mening de morele plicht van de academici de malafide actoren die misinformatie trachten te verspreiden tegen te gaan met effectieve academische en retorische middelen.
Echter is het verwerven van zulke middelen niet simpel. Er zijn veel (al dan niet terechte) vooroordelen die die maatschappij doordringen, zoals de abstracte, niet-pragmatische manier waarop ze aan het publiek overkomen; het koude taalgebruik, de links-marxistische bias, de ijdelheid… In dit opzicht zijn ze erg benadeeld tegenover een vaardige retoricus die zulke (negatieve) vooroordelen niet tegen zich heeft. Als de academici het willen opnemen tegen zulke actoren, moeten ze ook deze vooroordelen zien te veranderen.
De UGent, meer bepaald de vakgroep Wijsbegeerte en Moraalwetenschappen, slaagt hier spijtig genoeg niet in. Vooraleer er ook sprake is van het weerleggen van deze vooroordelen, nemen in de meest recente controverse 45 filosofen van de vakgroep hun bezwaren met betrekking tot de aanstelling van Nathan Cofnas in De Standaard. Door het formaat van een krantenartikel – het beperkte woordenaantal – lopen ze in een aantal valkuilen.
Ten eerste kunnen ze hun argumenten niet genoeg verdiepen om hun retoriek te onderscheiden van die van de actoren die zij beschuldigen van het gebruiken van misinformatie in hun retoriek. Als de lezer dezelfde epistemologische maatstaf gebruikt voor dit artikel als voor Cofnas’ publicaties, ligt het voordeel bij Cofnas’ publicaties aangezien ze meer en dieper beargumenteerd zijn.
Bovendien lopen ze recht in de retoriek van Cofnas – dat er in academische instellingen links-ideologische homogeniteit heerst – door zonder overtuigende argumentatie te stellen dat Cofnas een (extreem)rechts wereldbeeld heeft en wil propageren. Niet alleen is het voor hem dan gemakkelijk om een publiek van het tegendeel te overtuigen, maar ook bevestigen de academici hierdoor de vooroordelen die hen reeds benadeelden.

Al door de verkeerde keuze in het medium van hun zaak verliezen ze naar mijn mening de retorische strijd. Wat horen ze dan wel te doen? Zoals eerder gezegd is het vanaf het begin een verloren zaak als je niet eerst de vooroordelen aanpakt. Maar voordat je dit kan doen, moet je ze eerst erkennen en er niet recht in lopen. Zo ver is de vakgroep nog niet gekomen.
Naast de keuze van het medium gaat er in het artikel nog iets mis. Als academicus heb je het voordeel over meer inhoudelijke middelen te beschikken, wat de weerlegging van de tegenargumenten op basis van inhoud gemakkelijker zou moeten maken. Echter maken ze hier totaal geen gebruik van. Ik lijst een aantal argumenten gebruikt in het artikel die mijn punt illustreren:
- “Alleen is dit uiteraard geen realiteit: het is racisme.”
- “Toets [aan de deontologische code van UGent] de uitspraken van Cofnas aan, en het resultaat is duidelijk.”
- “De wetenschappelijke gemeenschap is dan ook unaniem in het oordeel dat hun werk rommel is.”
- “Cofnas doet dat overduidelijk wel.”
Dit vind ik schaamteloos van de vakgroep. Ze proberen niet eens de argumenten op basis van inhoud te weerleggen, terwijl zij de meest geschikte lieden van de universiteit, laat staan de hele maatschappij, zouden moeten zijn om dit wel te doen.
Ik wil duidelijk maken dat ik het zeker niet eens ben met Cofnas’ aanpak. Over Cofnas zelf heb ik weinig gezegd. Dit artikel bevat enkel mijn kritiek op de retoriek van de leden van de vakgroep Wijsbegeerte en Moraalwetenschappen.
Concreet pleit ik dus voor een veel robuuster retorisch beleid aan de UGent, voordat ze aan retoriek doen. Zo niet tasten ze het vertrouwen in de academische wereld, en dus ook in de wetenschap verder aan.