vrijdag 13 februari, 2026

‘Optimism is a moral duty’: Julien De Wit over hoop in tijden van crisis

© Julien De Wit

In tijden van verwarring groeit de honger naar duiding. Terwijl geopolitieke spanningen oplopen en Generatie Z worstelt met onzekerheid, schuift Julien De Wit naar voren als een van Vlaanderens scherpzinnigste jonge denkers. In dit interview blikt hij terug op zijn opmerkelijke carrièrepad en deelt hij zijn visie op actuele thema’s als defensie, maatschappelijke veerkracht en de rol van jongeren in een wereld vol verandering.


 

U bent 25 jaar maar hebt al een indrukwekkend parcours achter de rug. Hoe kijkt u terug op uw tijd als voorzitter van de Vlaamse Vereniging van Studenten?

Mijn studententijd voelde altijd als één grote zandbak: een plek waar ik kon bouwen, uitproberen en ontdekken. Beleid interesseerde me altijd, dus vroeg ik me af hoe je beleid zo neutraal mogelijk kunt benaderen en tegelijk kunt groeien. Bij VVS zag ik precies die ruimte: je werkt aan inhoudelijke dossiers en ontwikkelt jezelf als persoon. Mijn engagement ontstond organisch. Een project rond mentaal welzijn waar ik aanvankelijk gewoon mijn mening gaf, leidde al snel tot het meeschrijven van een nota, en zo rolde ik dieper in het werk. Het ging niet om een cv-move of status; zulke trajecten hou je alleen vol als je er gepassioneerd voor gaat. Je moet echt een wil hebben om de samenleving te veranderen om dit vol te houden.

 

Hebt u zelf ooit overwogen om in de politiek te stappen?

Momenteel kies ik ervoor mijn impact elders te maken. De traditionele politiek voelt niet als de ideale plek voor mijn ideeën en ambities. Tijdens mijn gesprek met verschillende partijen vroeg men mij een keer “Wat kun jij voor ons doen?”, maar nooit “Wat denk jij?”. Daarmee lieten ze zien dat ze vooral een jong gezicht zochten om hun imago op te vijzelen, en niet iemand met inhoudelijke input. Die aanpak schrok me af en bevestigde mijn overtuiging om mijn stem buiten de parlementaire muren te laten horen.

 

Sedert 2025 bent u fellow bij denktank Itinera. Vanwaar de keuze voor Itinera?

Bij een werkreceptie botste ik onverwacht op iemand van Itinera. Wat begon als een vrijblijvende lunch om een mogelijke samenwerking te verkennen, groeide al snel uit tot een structurele samenwerking waarin ik vrijuit mijn verbeterpunten kon delen. Hoewel Itinera soms het label ‘liberaal’ krijgt, ontdekte ik dat mijn collega’s juist een breed spectrum aan ideeën omarmen, zolang ze vertrekken vanuit hun kernwaarden: een veerkrachtige samenleving, doeltreffend bestuur en economische groei. Ze promoten ondernemerschap als een belangrijk recept voor maatschappelijke veerkracht en houden hun adviezen zo ongekleurd mogelijk. Onze nota’s hebben ook impact bij de vorming van het beleid.

 

U schrijft regelmatig over Gen Z, waaronder in uw boek ‘Ge(e)neratie’. Wat zijn zaken die u opvallen bij deze generatie?

We zitten met een generatie die sociaal enorm bewogen is. Mensen zeggen soms dat jongeren ‘in slaap gewiegd’ zijn, maar dat klopt niet. Wat ik zie, is eerder een vorm van verlamming: er zijn zóveel problemen tegelijk dat het moeilijk is om te weten waar je moet beginnen. Gaza, klimaat, migratie, ongelijkheid in je eigen straat… het stapelt zich op.

Ik hoor vaak van jongeren: “Ik ben verontwaardigd over alles, maar ik weet niet waar ik eerst iets aan moet doen.” Dat is geen onverschilligheid, dat is overweldiging. Sociale media spelen daar een grote rol in. Ze maken onrecht zichtbaar, maar ze zorgen ook voor een constante stroom van verontwaardiging. En dat put uit.

En dan is er nog iets: onzekerheid. Over de toekomst, over jezelf, over je plek in de wereld. Dat gevoel van “ben ik goed genoeg?” is iets wat ik vaak hoor. Maar ondanks alles zie ik hoop. Ik zie jongeren die wél willen wegen op de wereld. Die zich organiseren, die vragen stellen, die niet zomaar meegaan. En dat is waar verandering begint.

 

Welke verantwoordelijkheid dragen de sociale media voor de problemen waar sommige jongeren mee kampen?

Het vergroten van de  vergelijkingscultuur. Dat is een grote stoorzender. We zitten in een vergelijkingscultuur die ons continu prikkelt: ben ik wel goed genoeg, snel genoeg, zichtbaar genoeg? Vandaag zit er een enorme performativiteit in ons leven. We hebben allemaal onze eigen Instagram, onze eigen LinkedIn, onze eigen publieke etalage. Alsof we onszelf voortdurend moeten bewijzen aan een onzichtbaar publiek. En dat creëert onrust. Die onrust zie je terug in burn-outs, depressies, faalangst.

 

Wat zijn oplossingen voor die problemen?

Ik denk dat één van de eerste dingen die we opnieuw moeten leren, is contextualiseren. We krijgen vandaag zóveel informatie binnen, maar zelden met de nodige nuance. Daar ligt ook een grote verantwoordelijkheid bij de media. Minder clickbait, meer duiding. Al is dat makkelijker gezegd dan gedaan.  Daarom geloof ik sterk in kennisonderwijs. Als je op school leert over internationale betrekkingen, snap je dat geopolitiek niet zwart-wit is. Je leert dat elke actie een reactie uitlokt, en dat diplomatie vaak draait om het vermijden van escalatie. Onwetendheid is volgens mij het grootste probleem. Kennis verbreden is het beste antidotum tegen het constante crisisgevoel. Want dat gevoel wordt ook gevoed door de hoeveelheid informatie die we dagelijks consumeren. Harvard berekende ooit dat we op één dag evenveel informatie verwerken als een middeleeuwse geleerde in zijn hele leven. En toch staan we daar zelden bij stil. Als ik drie dagen na elkaar McDonald’s eet, zal iemand wel vragen of mijn dieet  nog steeds in orde is. Maar als ik drie dagen lang alleen TikTok kijk en geen enkel boek open, zegt niemand iets. Terwijl dat óók voeding is voor je hoofd.

Daar ligt een taak voor het onderwijs, maar ook voor ouders, vrienden, broers, zussen. We schuiven die verantwoordelijkheid te vaak af. Onderwijs kan zeker stimuleren: door kennisdoelen centraal te zetten, door niet alleen te focussen op veiligheid, maar ook op informatiegeletterdheid. Maar het begint ook thuis. Met lezen, met praten, met vragen stellen.

 

We moeten dus stoppen om onze verantwoordelijkheden altijd op de overheid af te schuiven?

Absoluut. Dat staat voor mij buiten kijf. Natuurlijk heeft de overheid een rol, maar het gemeenschapsgevoel moet van onderuit komen. Van burgers die zeggen: “We lossen dit samen op.” Er zijn zóveel maatschappelijke problemen waar je als individu wél iets aan kunt doen. Neem klimaatverandering. Je kunt beginnen met sorteren, minder water gebruiken, af en toe je vlees laten. Dat zijn kleine stappen, maar ze tellen. Of de leescrisis. Wil je daar iets aan doen? Lees voor aan je kinderen. Neem ze mee naar een boekhandel of een lezing. Laat ze zien dat taal leeft. Volksgezondheid? Zorg dat je beweegt, gezond eet, en af en toe je bloed laat checken. We hebben meer agency dan we denken. Maar door constant naar “de overheid” te wijzen, ontnemen we mensen de kans om zelf initiatief te nemen. We maken ze afhankelijk. En dat ondermijnt hun weerbaarheid. Net daarom zet ik zo hard in op het versterken van die weerbaarheid: mensen moeten opnieuw voelen dat ze zélf iets kunnen doen.

 

Waar ontstond bij u het idee om schrijver te worden?

Schrijven zit er bij mij al lang in. Als kind had ik mijn eigen notitieboekjes, ik denk dat ik er al mee begon op mijn negende. Ik heb ze nog allemaal, en het is eigenlijk best grappig om terug te bladeren. Toen wilde ik schrijver worden.

Op school schreef ik ooit een opiniestuk voor godsdienst. Mijn leerkracht stuurde het in voor een wedstrijd, en tot mijn verbazing won ik een prijs van zowel de provincie Antwerpen als de Vlaamse regering. Vanaf dat moment begon het te rollen. Mensen vroegen: “Wil je een boek voor mij ghostwriten?” En dat ging echt alle kanten uit. Ik vond het fantastisch. Je leert zoveel mensen kennen, duikt in hun verhalen, leeft mee in hun ideeën. Ik was 17-18 jaar en schreef boeken voor anderen die ze vervolgens presenteerden alsof het hun eigen woorden waren. En dat is oké, dat is de afspraak. Maar ergens dacht ik ook: misschien kan ik dit ook gewoon zelf.

Die gedachte gaf me zelfvertrouwen. Intussen help ik nog steeds mensen met hun boek, en dat vind ik heerlijk. Maar ik zou nu ook nooit meer niét voor mezelf schrijven. Dat is te waardevol geworden.

 

U schreef twee bestsellers, ‘Ge(e)neratie’ en ‘Onzeker’.  In maart verschijnt uw volgende boek. Waarom gingen u vorige boeken over die thema’s?

Generatie was voor mij een heel vanzelfsprekend thema. Ik was toen intens bezig met jeugdwerk, onder andere bij VVS, en ik merkte dat we vaak dezelfde jongeren aan het woord laten. Terwijl de jeugd zó breed is. Ik wilde die breedheid vatten. Niet alleen de geëngageerde scholieren, maar ook de stille twijfelaars, de zoekers, de dromers.

Tijdens mijn VVS-periode hield ik voortdurend notities bij. Kleine observaties, gesprekken, inzichten. Op een bepaald moment dacht ik: hier zit een boek in. Ik ben beginnen bijlezen, verdiepen, en vooral: ik wilde de onzekerheid van mijn generatie begrijpen. Want die is tastbaar. En ze lijkt niet alleen van ons te zijn ook andere generaties worstelen ermee. Dat leidde tot mijn eerste boek. Maar ik had nog zoveel research over dat ik dacht: dit verdient een vervolg. Dus begon ik aan een tweede boek.

 

U schrijft veel over defensie en weerbaarheid. Wat vindt u van de stappen die Europa zet op vlak van defensie?

Ik denk dat Europa de voorbije jaren wel degelijk grote stappen heeft gezet op vlak van veiligheid. Er is eindelijk een sense of urgency. Maar één van de grootste uitdagingen blijft: hoe stem je de werking van de defensies van de verschillende lidstaten op elkaar af? Dat gaat veel verder dan alleen militaire operaties. Denk aan hoe we databases aanleggen, hoe inlichtingendiensten communiceren, via welke netwerken, in welke structuren. Daar zit nog veel versnippering. En tegelijk hoor je het narratief van “Europa als één blok”, terwijl er in de praktijk nog veel protectionisme is, zeker in de defensie-industrie.

Dat is volgens mij de kernvraag: hoe zorgen we ervoor dat lidstaten hun skin in the game durven steken, ook als het gaat over gedeelde productie, innovatie en strategische autonomie? Ik vind de verhoging van het defensiebudget naar 5% een logische keuze. Historisch zaten we daar ook. Maar wat me stoort, is de framing. Defensie wordt vaak herleid tot wapens. Terwijl het zoveel meer is. Defensie is ook innovatie. Defensie is ook het opleiden van topprogrammeurs die systemen kunnen bouwen om drones te neutraliseren. Het gaat om technologie, om logistiek, om ketens die moeten blijven draaien onder druk.

 

Wat met de oorlogsretoriek die sommige politici gebruiken?

Dat stoort me enorm. Soms heb ik echt zin om tegen bepaalde leiders te zeggen: “Organiseer eens een simulatie van wat oorlog écht is.” Want niemand, inclusief ikzelf, kan zich nog maar een fractie voorstellen van wat het betekent om in oorlog te zitten. We praten er vlotjes over, maar het is zoveel ingrijpender dan we denken. Daarom ben ik voorzichtig. Niet omdat ik naïef ben, maar omdat oorlog altijd het allerlaatste redmiddel moet blijven.

Natuurlijk is een land dat defensie serieus neemt, niet per se oorlogszuchtig. Het is een land dat zichzelf ernstig neemt. En als je jezelf ernstig neemt, dan investeer je ook in je infrastructuur, je kennis, je veerkracht. Dat levert economische return op. We moeten stoppen met defensie te zien als een probleem. Het is een boom: het groeit, het draagt vruchten, het versterkt je samenleving. Voor Europa is defensie ook een industriële kans. Onze industrie heeft het moeilijk. Maar als we strategisch investeren kunnen we die sector opnieuw vleugels geven.

 

Hoe moet de overheid in tijden van besparingen communiceren naar haar burgers toe dat men tegelijkertijd miljarden investeert in defensie?

Ik vind dat we het woord ‘investeren’ veel te vaak misbruiken. Niet elke uitgave is een investering. Sommige kosten zijn gewoon noodzakelijk. Als iemand zegt: “We investeren in pensioenen” dan vraag ik me af: wat is de return on investment? Pensioenen zijn essentieel, absoluut. Maar ze zijn geen investering. Net zoals een auto tanken geen investering is. Het is een kost die mogelijk maakt dat ik mijn werk kan doen, dat ik ergens geraak.  We moeten daar eerlijker in worden. Defensie is een maatschappelijke actor. En in Vlaanderen kijken we daar soms met schroom naar. Dat is jammer. Niet alleen voor de mensen die er werken, maar voor de hele samenleving. Want defensie en vrijheid zijn geen tegenpolen. Net zoals sociale zekerheid en economische productiviteit dat niet zijn. Het is geen kwestie van “of-of”. Het is een kwestie van balans. En die balans is moeilijk, maar noodzakelijk.

Ik wil geen Amerikaans systeem, waar alles draait om individuele verantwoordelijkheid en de markt. Maar ik wil ook niet blijven hangen in het huidige Belgische systeem, waar werken soms te weinig loont. Ik wil een samenleving die eerlijk is. Waar je werkt voor je welvaart, maar waar niemand achterblijft als het even tegenzit.

 

U bent een vooruitgangsoptimist. Waarom die keuze?

Vooruitgangsoptimisme, dat klinkt soms naïef, zeker in moeilijke tijden. Maar ik geloof dat optimisme ook een keuze is. En ja, ik weet dat dat voor sommige mensen hard kan klinken. Niet iedereen zit in een comfortabele situatie. Maar als je ooit Man’s Search for Meaning van Viktor Frankl hebt gelezen, dan weet je: zelfs in een concentratiekamp kon hij nog betekenis vinden. Als dat mogelijk is, dan moeten wij vandaag in het Westen, waar we sociale bescherming hebben, veiligheid en kansen, zeker in staat zijn om hoopvol te blijven.

Ik geloof echt dat “optimism is a moral duty”, zoals vaak gezegd wordt. Niet blind optimisme, maar het soort dat vertrekt vanuit kennis en context.  Want geschiedenis zit vol momenten waarop alles uitzichtloos leek. Denk aan de Franse Revolutie. Niemand die daar middenin zat, zal het als een pretje hebben ervaren. Maar kijk wat er daarna is ontstaan: de verlichte staat, vrijheden, rechten. Soms moet je door de pijn om bij iets beters uit te komen. Ik wil dat mensen dat besef terugvinden. Dat we niet alleen leven in het nu, maar ook in een lange lijn van vooruitgang, strijd en herstel. En dat we daar deel van uitmaken.

 

Tot slot, wat brengt de toekomt?

Ik wil blijven werken als zelfstandige, omdat die vrijheid voor mij essentieel is. Vrij kunnen denken, vrij kunnen schrijven. Dat is voor mij geen luxe, maar een voorwaarde. Internationaal werken spreekt me ook aan. De ervaringen die ik daar al mee heb gehad, waren altijd verrijkend. Ik heb het gevoel dat daar nog veel groeiruimte ligt, ook persoonlijk. Nieuwe contexten, nieuwe gesprekken, nieuwe perspectieven. Dat trekt me aan.

 

© Julien De Wit

Julien De Wit is auteur, columnist, publicist en spreker. Daarnaast is hij professioneel actief als ondernemer met zijn onderneming Think Ahead Inc en hij is verbonden aan de denktank Itinera. Hij schreef (°2023) Ge(e)neratie en (°2024)  Onzeker. De Wit spreekt in eigen naam en is niet verbonden aan een politieke partij.

 

 

 

 

 

author avatar
Toulouse Clemens
Toulouse Clemens (°2004) is eerstejaars masterstudent rechten aan de Universiteit Gent en hoofdredacteur van Den Borluut, waar hij zich inzet op interviews en inhoudelijke verdieping. Gedreven door een brede interesse in politiek, economie en geschiedenis, zoekt Toulouse actief naar raakvlakken tussen recht en samenleving. In 2024 nam hij deel aan het Vlaams Jeugdparlement, waar hij zijn stem liet horen in het debat over de toekomst van Vlaanderen.
In dit artikel

Neem contact met ons op

Deel dit artikel